Mooier dan de natuur

Niet theedrinkende upperclass-dames maar zwoegende arbeiders waren het onderwerp van schilder Herman Heyenbrock. Het gemeentemuseum in Helmond verwierf nieuw, onbekend werk van hem.

,,Hoeveel fijner zijn de lijnen van schoorstenen dan van boomen, wanneer de langzaam stijgende lucht een schoonheid geeft, zoals nooit tevoren.''

Deze regel werd in 1919 geschreven door de schilder, socialist en vrijdenker Herman Heyenbrock (1871-1948). Hij was toen 48 jaar en in de volle kracht van zijn leven, dat voornamelijk gewijd was aan het schilderen, lithograferen en in pastel tekenen van het nieuwe industriële landschap, fabrieksgebouwen, gieterijen, leerlooierijen, mijnen. Heyenbrock vond ze interessanter en belangrijker dan de vrije natuur, het landschap met weilanden, knotwilgen en koeien, waarmee hij zich tevoren in een op de Haagse school geïnspireerde stijl had beziggehouden. Interessanter, belangrijker, veelbelovender en mooier.

Zo dachten veel socialisten van toen er over in een merkwaardige dualistische benadering van de door stoomkracht mogelijk gemaakte massa-productie. Enerzijds strijd, dikwijls felle stakingsstrijd om het ellendig lot van de arbeiders, mannen, vrouwen en ook kinderen, te verbeteren, enerzijds het geloof in de nieuwe technieken, de massaproductie die op den duur voorwaarden zou scheppen voor een menswaardig bestaan van velen.

Zelfs de natuurliefhebbers, de wandelaars en vogelbespieders dachten zo, ook de beschrijver van ons mooie Nederland, vogelkenner en oprichter van de vereniging tot behoud van natuurmonumenten, Jacq. P. Thijsse was zijn naam.

Tegenover de in ziekmakende hitte, stoom, roetwolken en zwaveldampen zwoegende en verkommerende kapitalistenslaven bestond het inspirerend beeld van geweld en gloed, van vloeibaar staal, beheerst en gestuurd door de stoere gestalte van `de' arbeider, gespierd, brede borstkas, biceps van belang. Zonder vrees, sterk en overheersend. ,,Als uw machtige arm het wil...'' enzovoorts.

Hendrik Chabot schilderde het indrukwekkende prototype van zo'n wegbereider naar een betere toekomst: de zware, kubistisch bewerkte kop van een arbeider. Het doek, dat kracht en onverzettelijkheid tot ideologie bundelt, is te zien in het gemeentemuseum Helmond dat gevestigd is in een vijftiende-eeuws kasteel in het centrum van de stad.

Mens en Werk

In dat museum bevindt zich de in ons land grootste collectie van beeldende kunst rondom het thema Mens en Werk, die ook internationaal van belang is.

Herman Heyenbrock was in deze verzameling tot dusver vertegenwoordigd met twee schilderijen en 32 pastels. Door een nog nader te inventariseren aankoop van een kleine vierhonderd stukken van zijn hand wordt zijn aanwezigheid in Helmond aanzienlijk versterkt.

Het gaat om schilderijen (één ervan op een asbest paneel!), aquarellen, litho's, en in het bijzonder om zijn pastels op zwart karton. Op een zwarte ondergrond, zo had hij ontdekt, was het clair-obscur, dat juist in de schemering van de fabrieksingewanden van een eeuw geleden in de letterlijke zin aanwezig was, het dichtst te benaderen. Pastel was het materiaal dat, als hij op locatie aan het werk was, het best bestand bleek tegen agressie van hitte, stof, roet en dampen. Bijvoorbeeld ondergronds in een Belgische kolenmijn waar - hij beschreef het zelf zo - het licht van de tussen zijn tanden geklemde Davy mijnlamp een blauwe gloed in het stof veroorzaakte, de steenkool glinsterend deed oplichten en speciale effecten bevorderde in de onder blauw-grijs kolengruis bedolven huid van een mijnwerker. Hij spreekt bij die gelegenheid ook over een `troep witbestoven of lichtgroen uitgebeten, zonderling in maskers verpakte alkaliwerkers, spookachtig door het koele electrisch licht zich bewegend.'

Heyenbrock ging voorbij aan de vele nieuwe stromingen die juist in zijn actieve tijd de beeldende kunst beroerden, het im- en expressionisme, kubisme, pointillisme, surrealisme. Zijn picturale vernieuwing betrof een verhevigd naturalisme met de fabrieken als onderwerp, waaraan de meesten van zijn collega's geen boodschap hadden. Hij raakte gebiologeerd en gepassioneerd door het in werkplaatsen en fabriekshallen door rook en roet gefilterde licht, door roodgloeiende ovenmonden en dampende ketels, door het industriële landschap en het industriële interieur met de daarin zwoegende kleine mensjes. Die passie verheft dit deel van zijn oeuvre tot een monument dat ver uittorent boven zijn andere werk, dat vakkundig en verdienstelijk was, maar niet meer.

Heyenbrock ging heel ver, stelde zich ter plaatse tot diep onder de grond op de hoogte van werkmethoden en technieken, verzamelde de bijbehorende gereedschappen, mengde zich onder de arbeiders en zette een bij zijn motieven behorende kleurenleer op.

In 1923 vormde zijn technische verzameling de basis voor een Museum van Arbeid, die zich ontwikkelde tot het huidige New Metropolis of NEMO. Uit die instelling is de collectie afkomstig die nu door het Gemeentemuseum Helmond is aangekocht. Men is er net begonnen aan de inventarisatie en beschrijving, een complex en moeilijk karwei omdat Heyenbrock zijn werk niet of nauwelijks dateerde en meestal ook niet van titels voorzag. Van hem is bekend dat hij werd opgeleid aan de Rotterdamse academie en daarna werkte als onder meer decorschilder en als illustrator bij het Rotterdamsch Nieuwsblad. Zijn vrije werk bleef in die tijd steken in weinig opvallende naakten, landschappen, boomgaarden en dat soort onderwerpen. Tot het moment kwam dat hij zich de picturale mogelijkheden van de stoommachine met alle gevolgen van dien realiseerde en in een bevlogen naturalisme ontwikkelde. Hij bereisde een belangrijk deel van Europa, trok door onder veel meer de Borinage en het Ruhrgebied op zoek naar steeds nieuwe industriële uitdagingen. Zijn productie is onbekend groot, omvat zeker enkele duizenden werken die zich - voor zover nog bestaand - grotendeels op onbekende plaatsen bevinden. In de kantoren en collecties van de fabrieken waar hij langs kwam. bij particulieren in de gehele Westerse wereld, vergeten in kleinere musea. Een verzameling bevindt zich in het Openluchtmuseum van Arnhem en nu dus een belangrijke collectie in Helmond. Tussen de fabriekshallen en gieterijen door bleef hij ook andere motieven schilderen. Vooral natuurgeweld als vulkaanuitbarstingen hadden zijn belangstelling. Hij maakte ook veel arbeidersportretten, die middelmatig blijven. Hij beheerste de anatomie onvoldoende, zijn koppen blijven wat houterig, zijn gestalten kloppen dikwijls niet, hoewel zij wel tonen dat hij naast zijn passie voor het fabrieksgeweld wel degelijk oog had voor het slopend zware bestaan van de toenmalige arbeiders.

Veel over hem is nog onvoldoende bekend, het wachten is op de jonge kunsthistoricus die het voorhanden zijnde materiaal wetenschappelijk benadert en tot een monografie komt.

Soms geeft de kunstenaar geschreven aanwijzingen op bijschriften bij zijn pastels. Bij een avondlijk stadsgezicht schreef hij: ,,Wanneer het rode autoachterlicht ver genoeg van ons af is, dan vervormt zich het zwakke licht op het nummerbord tot een grijze rand, te vergelijken met een staafjeslicht. Hierop kan zich het groene nabeeld (contrastkleur) beter vormen dan op een zwart fond.''

Of: ,,Tegen de grijze avondhemel komt het groene nabeeld van het neon reclamelicht te zien bij Maison De Vries in Amsterdam.''

Schoolplaten

Door zijn kunstzinnige tijdgenoten werd Heyenbrock eerder als illustrator beschouwd dan als volwaardig beeldend kunstenaar. Dat kwam niet alleen door het naturalisme van zijn werk, maar vooral door al zijn andere activiteiten. Hij vervaardigde kalenders, schoolplaten, affiches. In zijn latere leven werd hij ook in beslag genomen door veel organisatorische bezigheden, het oprichten en beheren van het Museum van de Arbeid, waarvoor hij veel pastels maakte, met mede tot stand brengen van een Volksuniversiteit.

Als schilder van de ideologische mystiek rondom de industriële vooruitgang (hij was een tijdgenoot van Edison en Henry Ford) stond hij in ons land betrekkelijk alleen. Er waren wel geestverwanten die schepen, havens en spoorwegen in hun thematiek opnamen. Deze onderwerpen werden al in het begin als `schilderachtig' ervaren, evenals sinds jaar en dag de werkzaamheid van het boerenleven. H.E. Roodenburg schilderde treinen en stations, Johan Hendrik Mastenbroek legde de bouw van de Afsluitdijk vast. Er waren voorts de geometrische fabrieksimpressies van Lou Loeber en Peter Alma. Ook Harm Kamerlingh Onnes maakte soms een fabrieksportret. Maar bij geen van deze kunstenaars brandde het heilige moeten zoals bij Heyenbrock, zij raakten aan deze thematiek naast hun andere werk.

Feller waren de sociaal geëngageerde kunstenaars als Lucien Lejeune, Peter Josseling de Jong. Harmen Meurs die in heftige melodramatiek het lot van de uitgebuitenen noteerden, de gebutste mijnwerkers, de versloofde huismoeders in hun hopeloze volksbuurten.

Deze kunstenaars bleven echter een minderheid in het picturale landschap van eind negentiende en begin vorige eeuw. Heyenbrock bleef in dat kleine gezelschap uniek in zijn gepassioneerde vereenzelviging met 'de fijne lijnen van de fabrieksschoorstenen.'

De laatste decennia is het onderwerp overigens in opkomst. Er is een schilder die zich beperkt tot het portretteren van auto's, Arie Schippers schilderde vanuit een bestelbusje de nachtelijke snelwegen, het schilderspaar Gerbrand Volger en Willeke van Thijn hield zich in een serie doeken bezig met de verlaten papierfabrieken van Van Gelder en schilderde eveneens in een gezamenlijk project de Hoogovens.

Fotografen als Aart Klein, Cor Jaring, Ed van der Elsken, Cas Oorthuys, Dolf Toussaint (opnieuw de Borinage!) hielden zich uitvoerig met de industrie bezig, in opdracht of als vrije kunstenaars.

Veel van deze en dergelijke kunstenaars zijn vertegenwoordigd in de collectie Mens en Werk van het Gemeentemuseum Helmond, dat zich sinds ongeveer 1950 heeft ontwikkeld van streekmuseum tot een volwaardig kunstmuseum, ook internationaal van belang. Er zal meer buitenlands werk worden aangekocht; in de ons omringende landen is er altijd meer waarde gehecht aan dit soort kunst dan hier.

Als de nu verworven Heyenbrockverzameling is uitgepakt en presentabel gemaakt (er moet gerestaureerd worden) zal het kasteel te weinig ruimte hebben, temeer omdat ook de gemeentesecretarie er is gevestigd. Binnenkort echter verhuist deze administratie naar een nieuw gebouw op enkele honderden meters afstand, dicht bij een eveneens nieuw opgetrokken uitbreiding van het museum, die omstreeks mei volgend jaar onderdak gaat bieden aan de andere museale poot, de poot van de moderne beeldende kunst, die verleden jaar door een schenking werd verrijkt met een collectie 'klassieke modernen, met onder meer werk van de Cobragroep.

Het kasteel - waar wel de trouwzaal gehandhaafd blijft - zal een dusdanige verbouwing, uitbreiding en herinrichting ondergaan dat er voldoende ruimte komt voor het exposeren van de collectie Mens en Werk.

In het najaar wil men al een selectie uit de Heyenbrockaanwinsten tonen om later tot een overzicht van zijn oeuvre, voor zover in Helmond aanwezig, te komen. Tegen die tijd hoopt men ook door bestudering van het nu verworven materiaal meer over de kunstenaar te weten.

Tot 4 mei is het Museum Helmond gesloten ivm een interne verhuizing naar een nieuwe `kunsthal'. Vanaf 5 mei is het museum van 14-17u weer geopend van di t/m zo, en is in de opstelling Mens en Werk het bekende werk van Heyenbrock te zien. De nieuwe Heyenbrock-aanwinsten zijn van half september tot half december te zien in museum Helmond, Kasteelplein 1, Helmond.

Heyenbrock raakte gepassioneerd door roetgefilterd licht en vurige ovenmonden in fabriekshallen

Als schilder van de ideologische mystiek rondom de industriële vooruitgang stond hij in ons land alleen