Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, hield van opgravingen. Als hij hoorde dat er in de buurt resten van een oud kasteel of een huis werden opgegraven stond hij met zijn neus vooraan. De mannen en vrouwen die speciaal daarvoor kwamen omdat ze er verstand van hadden heten archeologen. Ze lagen op hun knieën en groeven heel voorzichtig in de aarde. Misschien vonden ze wel een kruikje of een lepeltje van honderden jaren terug. Dan zou het later misschien in een museum komen te liggen.

Mijn vader vond het heel spannend en wilde dolgraag meehelpen. Maar hij kon niet zo lang op zijn knieën liggen. Hij was te stram en vooral zijn dikke buik zat hem in de weg. Dus hij vroeg een paar jongens hem te helpen. Die wilden dat wel. Terwijl de jongens in de modder aan het ploeteren waren stond mijn vader rustig te paffen en riep regelmatig wijzend met zijn sigaar daar, daar, zie ik iets. Op een dag zag hij naast zijn schoen een scherf, dacht hij. Een van de jongens raapte het op. Mijn vader maakte het schoon met zijn zakdoek. Het bleek een vaasje te zijn dat eeuwenoud was. `Ik ben amateur-archeoloog', zei hij thuis tegen mijn moeder. De volgende dag stond hij in de krant met alle jongens om hem heen. Het vaasje hield hij tussen duim en wijsvinger vast. Hij keek heel gewichtig.