Macht moet achter de tralies

Amerikanen, vertelde Henry Kissinger op het hoogtepunt van zijn roem in de jaren zeventig aan de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci, houden van de eenzame cowboy die orde op zaken stelt in een boevenbende en na gedane zaken tegen de zonsondergang in wegrijdt. Het verklaarde volgens hem zijn reputatie als meesterdiplomaat, na de talloze crises die hij met even behendig als koel optreden had weten te beheersen in Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en andere brandhaarden van de Koude Oorlog.

Maar zoals bij alle beroemde revolverhelden, zijn er altijd rivalen op de loer geweest die zich in een duel met Kissinger hebben willen meten. Al in de jaren zeventig werd hij, de briljante academicus met het zware Duitse accent en een onbeschaamde opvatting van Realpolitik, het mikpunt van zowel rechtse als linkse kritiek. Ter rechterzijde werd hij, evenals zijn politieke patroon Nixon, gewantrouwd om zijn amorele pragmatisme, zeker na de beroemde `opening' naar communistisch China in 1972. Voor linkse critici van de regering-Nixon is Kissingers naam daarentegen onlosmakelijk verbonden aan de escalatie van de oorlog in Vietnam, de clandestiene bombardementen op Laos en Cambodja, en de machinaties van de CIA in Chili.

Sinds zijn vertrek uit de actieve politiek heeft Kissinger gewerkt aan zijn lijvige memoires waarvan het laatste deel Years of Renewal enkele jaren geleden is verschenen, Diplomacy over westerse diplomatie, opiniestukken en een column in Amerikaanse kranten. Daarnaast drijft hij een particulier adviesbureau, dat tot zijn klanten onder meer Daewoo, Lockheed en Coca Cola mag rekenen. Daartegenover staan taaie pogingen om zijn reputatie aan te tasten, en hem aansprakelijk te stellen voor een scala aan onethische tot illegale praktijken. De onderzoeksjournalist Seymour Hersh, onthuller van het My Lai-schandaal, zette zijn tanden in Kissinger met The Price of Power, een incriminerende terugblik op een loopbaan die werd gekenmerkt door realiteitszin, opportunisme en onverholen machtspolitiek.

Massamoord

De Britse journalist Christopher Hitchens doet daar nog een flinke schep bovenop. In The Trial of Henry Kissinger bepleit hij berechting van Kissinger wegens massamoord op burgers (Cambodja), clandestiene praktijken in Chili en op Cyprus, plannen om een Griekse journalist te ontvoeren, en het aanzetten tot genocide (Oost-Timor). Na het precedent van de zaak-Pinochet zou Kissinger volgens Hitchens vervolgd kunnen worden voor het internationaal strafhof, of een Amerikaanse rechtbank, waar een buitenlandse gedupeerde een klacht tegen hem kan indienen. Absurd is dat tegenwoordig niet, mede gelet op de zaak tegen Miloševic en de recente Belgische strafklachten wegens schending van de mensenrechten tegen onder meer Pinochet, de Iraanse ex-president Rafsanjani en de Rwandese premier Kagame.

Hitchens boekje heeft een onverholen haatdragende toon en is qua strekking verwant aan de pathografie die zijn kennis Anthony Summers vorig jaar publiceerde over Nixon, The Arrogance of Power (door Hitchens besproken in The New York Times). Het is een compacte filippica tegen een topdiplomaat die zich al decennia de haat van links (en rechts) op de hals heeft gehaald. Hitchens geeft bekende voorbeelden van het schimmige gedrag, op de rand (en vaak erover) van machtsmisbruik dat de Nixon-jaren kenmerkte. De conclusie: Kissinger is een ordinaire `oorlogsmisdadiger', waarmee allereerst wordt gedoeld op zijn bemoeienis met de Amerikaanse interventie in Zuidoost-Azië.

Maar zo niet absurd, hoe serieus is dat dan? De clandestiene bombardementen op Cambodja waartoe Nixon besloot, escaleerden inderdaad de oorlog, maar de Cambodjaanse neutraliteit was toen al een wassen neus door de infiltratie van Noord-Vietnamese troepen. Dat de bombardementen, direct of indirect, hebben geleid tot de genocide van de Rode Khmer – een geloofsartikel onder Kissinger-haters sinds William Shawcross' boek Sideshow – is door Kissinger zelf in Years of Renewal van de hand gewezen als `een uitdrukking van zelfhaat die even zinnig is als de Britten de schuld geven van de holocaust omdat ze Hamburg bombardeerden'. Ook dat is nogal kort door de bocht, maar Kissinger heeft wel een punt: de bloeddorst van de Rode Khmer is niet in redelijkheid de Nixon-regering aan te wrijven.

De beschuldigingen van Hitchens over de oorlog in Bangladesh (toen Amerika partij koos voor Pakistan en afzijdigheid bij het resulterende bloedbad), de crisis op Cyprus (waar Kissinger zou hebben samengespannen om president Makarios ten val te brengen), en de inlijving van Oost-Timor (waarvoor hij Jakarta heimelijk toestemming zou hebben gegeven), zijn van hetzelfde laken een pak: onfrisse machtspolitiek, zeker, maar misdadig? Kissinger heeft nooit een geheim gemaakt van zijn amorele machiavellisme en de centrale rol die `geloofwaardigheid' naar zijn mening speelt in de internationale politiek, een eigenschap waarvoor een regering bereid moet zijn forse offers te brengen, en te vragen van anderen. Als dat crimineel is, kunnen we wel even doorgaan: er schijnen ook foto's te bestaan van Kissinger die de hand schudt van de beruchte massamoordenaar Mao Zedong.

Chili

Schimmiger liggen de zaken met twee kwesties waar Hitchens uitgebreider op ingaat: de coup in Chili, en plannen van het Griekse kolonelsbewind om de kritische Grieks-Amerikaanse journalist Elias Demetracopoulos te ontvoeren, en mogelijk te vermoorden. Hitchens ziet er de hand van Kissinger in, maar slaagt er niet in harde bewijzen te leveren. Advocaten van Demetracopoulos wachten nog steeds op documenten die Kissinger in zijn bezit moet hebben, maar vooralsnog niet kan vinden.

Ook Amerikaanse betrokkenheid bij de coup van Pinochet is door Kissinger altijd ontkend, maar vast staat dat de CIA na de verkiezing van Allende tot president clandestiene pogingen deed zijn aantreden te voorkomen – een actie waartoe Nixon opdracht had gegeven onder druk van Kissinger, Pepsi Cola en The Chase Manhattan Bank, twee grote investeerders in Chili. Volgens Kissinger bleef het daarbij, maar Hitchens beweert dat de veiligheidsadviseur ook betrokken was bij de ontvoering, en dood, van een aan Allende loyale Chileense topmilitair, en mogelijk bij de latere coup. Maar ook hier wreekt zich het ontbreken van bewijs, vooral in de vorm van documenten die Kissinger in zijn bezit heeft. Wat de mensenrechten betreft is Kissinger minder huichelachtig geweest dan Hitchens suggereert: hij heeft altijd erkend dat bezorgdheid daarover op de tweede plaats kwam, na tevredenheid over het feit dat Pinochet `een tweede Cuba' had weten te voorkomen.

Ondanks de titel van zijn boek, weet Hitchens de grens tussen machtspolitiek en misdaad juridisch nergens echt helder te trekken. In een moralistische wereld is natuurlijk elke buitenlandse politiek besmet die niet wordt bedreven met bidprentjes. Kissinger was een opportunist, die weinig last had van zijn geweten en zeker aangesproken kan worden op de dubbelzinnige gevolgen van zijn machtspolitiek. Maar dat oordeel is toch eerder aan de geschiedenis, dan aan de rechter.

Christopher Hitchens: The Trial of Henry Kissinger. Verso, 159 blz. ƒ64,90

    • Sjoerd de Jong