Jan van Zijl gelooft in nieuwe baan

Oud-Tweede-Kamerlid Jan van Zijl moppert in zijn nieuwe functie van voorzitter van de Raad voor Werk en Inkomen op zijn voormalige collega's. Hij ergert zich aan het ,,cynisch gemak'' waarmee de politiek het vraagstuk van de werkloosheid en anderen die nog langs de kant staan ver heeft laten zakken op de hitlijst van belangrijke problemen.

Moederziel alleen zat hij opeens in een kantoor. Met fraai uitzicht op het Lange Voorhout in Den Haag, dat wel. Aan de overkant de Algemene Rekenkamer, even verderop de Raad van State, en tussen al die andere gebouwen met de `zware commissies' en belangrijke zelfstandige bestuursorganen. Waar voor een belangrijk deel beleid en visies voor de toekomst worden gemaakt en bedacht. Waarover wordt gezegd dat daar ergens de schaduwregering van Nederland moet zijn gevestigd.

Ineens zat Jan van Zijl (48) er tussenin. Toch had hij ook daarvoor een invloedrijke positie. Meer dan een decennium zat hij voor de PvdA in de Tweede Kamer. De laatste jaren als tweede man achter fractievoorzitter Ad Melkert. Uitzicht op het Mauritshuis. En op het Torentje van Kok.

Maar als na elf jaar Kamerlidmaatschap (waarvan acht jaar als woordvoerder sociale zaken) een interessante functie voorbijkomt dan ben je daar ontvankelijk voor, zegt hij zelf. Helemaal als de voor jou meest interessante ministerspost, die van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aan je neus voorbij is gegaan. Van Zijl was in maart 2000 naast Willem Vermeend kandidaat om minister Klaas de Vries op te volgen. Maar het werd Vermeend. ,,Tegenover mijn ervaring met sociale zaken stond zijn jarenlange ervaring in het kabinet. Vermeend was geen belachelijke kandidaat.'' Teleurgesteld? Even is het stil. Dan: ,,Ja.'' Maar het kan toch nog steeds een keer? ,,Och, misschien. Je moet je loopbaan niet afstemmen op een ambitie om in het kabinet te komen. Die dingen lopen zo.''

En het liep toevallig zo dat juist Vermeend hem namens de sociale partners vroeg `voorzitter van de commissie voorbereiding Raad voor Werk en Inkomen' te worden. Dat leek Van Zijl interessant. De uitvoering van de sociale zekerheid gaat ingrijpend veranderen. Alles moet onorthodoxer, innovatiever, spannender en creatiever. En het was een functie waarbij Van Zijl een nieuw orgaan van de grond af mocht opbouwen. ,,Als het een succes wordt, dan heb je daar echt aan kunnen bijdragen. Het is natuurlijk ook een risico.''

Hij zegt het als de onafhankelijke voorzitter van de Raad voor Werk en Inkomen, maar officieel is hij dat nog niet. Want de Raad bestaat feitelijk nog niet. ,,Aan de verwarring dragen we zelf ook wel een beetje bij'', zegt Jan van Zijl met een glimlach. Hij pakt zijn visitekaartje en toont het: met kleine lettertjes staat er: commissie voorbereiding.

Inmiddels is hij een half jaar aan het werk. Per 1 januari 2002 moeten er 55 mensen werken. Dan wordt de Raad officieel geïnstalleerd. Maar Van Zijl wil nu al zijn zorgen uiten over ontwikkelingen op het terrein van werk en inkomen. ,,Wat mij helemaal niet bevalt is het bijna cynische gemak waarmee het vraagstuk van de werkloosheid en van al de andere mensen die nog langs de kant staan, ver is getuimeld op de hitlijst van politiek belangrijke vraagstukken.''

De Raad voor Werk en Inkomen is de organisatie die in het leven werd geroepen om het poldermodel te redden, om de vrede tussen kabinet en sociale partners te herstellen. Want eigenlijk wilde het kabinet eind 1999 de invloed van werkgevers en werknemers tot bijna nul reduceren. Omdat hun invloed tot een hybride, bureaucratisch gebouw van sociale zekerheid had geleid. Maar de sociale partners gingen toen zo hard in de tegenaanval (FNV-voorzitter De Waal: ,,Het is ons geld!''), dat er een compromis werd gezocht.

Sommigen noemden het een doekje voor het bloeden. Maar Van Zijl is ferm: ,,Ik geloof erin.''

Hij was, zegt hij nu, zeer ongelukkig met het plan om sociale partners in het nieuwe stelsel voor sociale zekerheid volledig aan de kant te schuiven. Want de vakbonden en werkgeversorganisaties hebben jarenlange ervaring met de uitvoering van met name WW- en WAO-regelingen, dat geldt ook voor de gemeenten met de bijstand. ,,Waarom zou je die niet gebruiken'', zegt Van Zijl. En ook niet onbelangrijk: ,,Waarom zou je niet proberen via de sociale partners draagvlak te krijgen voor je beleid.''

De Sociaal Economische Raad is er toch om het kabinet namens sociale partners van adviezen te voorzien. Waarom nu weer een nieuw orgaan?

,,Binnen de SER voeren werkgevers en werknemers debatten op een hoog abstractieniveau. Over lange termijnvisies. Wij moeten daar ver van wegblijven. Wij moeten naar de alledaagse belangen van werkgevers en werknemers kijken. Ik kan tegen een voorzitter van de werkgevers zeggen: ik weet dat jullie niet positief zijn over gesubsidieerde arbeid. Maar wat kunnen we nu bedenken om gesubsidieerde arbeid om jullie vacatures te vervullen? Een ander voorbeeld: de marktwerking bij de reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten. Als ik een bakkerswinkel binnenstap dan weet ik ongeveer hoe een bakkerswinkel moet ruiken en als die bakker mij vijf gulden rekent voor een gesneden bruin dat hij 100 procent te duur is. Maar hoe duur moet een reïntegratietraject zijn? Ik denk dat ze dat bij Philips en Akzo wel weten, maar weet de kleine middenstander dat ook? Moet je dat niet beter regelen. Moet je geen instrumenten inbouwen om de marktwerking goed te reguleren, zonder het kapot te regelen? Onze taak is om daar heel praktisch naar te kijken.''

In totaal besteedt het kabinet jaarlijks circa twaalf miljard gulden aan arbeidsmarktinstrumenten, aan bijvoorbeeld de sociale werkvoorzieningen, aan reïntegratiemiddelen, aan gesubsidieerde arbeid. Bij de discussie die nu in het kabinet plaatsvindt over verbeteringen in zorg, onderwijs en veiligheid wordt geprobeerd hier ,,geld voor te vinden''. Minister Vermeend zou bereid zijn anderhalf miljard gulden van zijn begroting af te staan.

De arbeidsmarkt is krap. Er is werk in overvloed. Bezuinigen op de arbeidsmarktinstrumenten is dan toch een voor de hand liggende gedachte?

,,Het lijkt erop dat Sociale Zaken de hofleverancier zal worden voor de middelen die minister Zalm bij elkaar scharrelt. Zorg, onderwijs en veiligheid staan bovenaan de hitlijst. En met stip: mond- en klauwzeer, al dan niet tijdelijk. En dan wordt er een sfeer geschapen rondom de werkgelegenheid van `alle problemen zijn opgelost'. Als je naar de kale feiten kijkt is dat gewoon niet zo.

,,Er zijn tweehonderdduizend moeilijk vervulbare vacatures. En dan heb je nog de vacatures die niet zijn aangemeld. Als je op zaterdag door Den Haag loopt, zie je al die briefjes bij winkels: personeel gevraagd. Aan de andere kant heb je ruim twee miljoen mensen met een uitkering, arbeidsongeschikten, werklozen, zieke werknemers, bijstandsgerechtigden en vutters. Onmiddellijk zeg ik dat ik een beetje overdrijf. Want de kans dat een 62-jarige vutter aan het werk kan of wil, is natuurlijk niet al te groot. Maar stel dat je een kwart weer aan het werk zou krijgen. Vijfhonderdduizend. Dat zou toch heel mooi zijn? Er is alleen een geweldige mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En dus geen enkele aanleiding te bezuinigen op de middelen om mensen aan het werk te helpen.''

Maar die instrumenten werken vaak niet goed. Tientallen miljoenen guldens aan reïntegratiesubsidies zijn overbodig, zo bleek onlangs.

,,Dat heeft me ook gestoord. Als je de evaluatie over die reïntegratiesubsidies goed leest, is het minder somber dan het beeld dat geschapen is. Kennelijk was daar belang bij. Bovendien: als het probleem niet verandert, en je hebt een instrument dat niet goed werkt, dan schaf je dat toch niet zomaar af. Dat is een zwaktebod. Als je niet goed werk maakt van het helpen van die honderdduizenden werklozen en arbeidsongeschikten die nog kunnen werken, dan blijft de arbeidsmarkt krap. Dat drukt de lonen omhoog. Bovendien kun je met die arbeidsmarktmiddelen ook zorg en onderwijs helpen.''

Maar nu werkt dat niet goed. Wat moet er dan veranderen?

,,Het beleid is veel te aanbodgericht. Het is vaak een doelstelling op zich: hoeveel trajecten zijn er gevuld, zonder dat er gekeken wordt naar hoeveel van die trajecten tot een baan hebben geleid. Misschien moeten het wel minder trajecten worden maar wel betere. Daar hoort bij dat we beter zicht krijgen op wat werkgevers willen. Het is toch van de gekke dat iets dat goed werkt, namelijk werkervaringsplaatsen, in vijf jaar in aantal zijn afgenomen. In de experimenteerfase in 1995 waren er 20.000 werkervaringsplaatsen, nu zijn er nog maar enkele duizenden. Daarvoor moeten de drempels omlaag. Je komt er nu pas voor in aanmerking als je een jaar werkloos bent. Maar als je in deze arbeidsmarkt meer dan een half jaar werkloos bent, heb je echt een probleem. Waarom kunnen we een aantal van die moeilijk vervulbare vacatures niet invullen met werkervaringsplaatsen?''

Wat betreft de WAO is het wachten op de commissie-Donner, die binnenkort met een belangrijk advies komt. Donner lijkt aan te sturen op een nieuwe WAO-regeling voor `echte' arbeidsongeschikten en een regeling voor hen die nog kunnen werken. Wat vindt u daarvan?

,,Als het zich beperkt tot `we keuren één keer en wie er niet helemaal inkomt heeft pech gehad' dan is dat gewoon het anders definiëren van een probleem. Er moet dan echt iets gebeuren om te voorkomen dat die groep in de WW en later in de bijstand komt. In de discussie over de WAO hoor je veel over beperking van de instroom. Prima. Maar ik heb niet het gevoel dat er voldoende serieus pogingen worden gedaan om van die groep van 950.000 arbeidongeschikten nog mensen aan de slag te krijgen. Bij de commissie-Donner heb ik het idee dat er erg naar de instroom wordt gekeken. Ik hoop van harte dat Donner met meer komt.''

    • Herman Staal