Het is de bovenbouw, domkop

Karl Marx predikte het, Margaret Thatcher geloofde het en Bill Clinton bracht het als geen ander in de praktijk. De opvatting dat de economische omstandigheden uiteindelijk het politieke lot bepalen, heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld van een van de belangrijkere marxistische leerstukken tot een wel heel praktische politieke leidraad.

Vandaag de dag zijn vele toonaangevende politici ervan overtuigd dat een verkiezing vooral wordt gewonnen indien het economische tij meezit. Daarom zocht Bill Clinton destijds zijn herverkiezing met de slogan `it's the economy, stupid'. En omdat het succes van de New Economy zo overweldigend was, kon Clinton ondanks het oplaaiende Lewinsky-schandaal in het Witte Huis blijven zitten. Ook Margaret Thatcher legt in haar memoires een ondubbelzinnige relatie tussen de ontwikkeling van haar eigen populariteit en de toestand van de economie. Terugblikkend meent de IJzeren Dame dat haar verkiezingssucces in 1983 eerder was gebaseerd op het voorzichtige herstel van de Britse economie dan op haar eclatante victorie in de Falkland-oorlog.

In The Cash Nexus wordt deze samenhang tussen geld en politiek aan een nader historisch onderzoek onderworpen door de Oxfordse hoogleraar politieke en economische geschiedenis Niall Ferguson. In het boek, dat zich uitstrekt over de afgelopen drie eeuwen, toont Ferguson zich in vele doorkijkjes naar het vrijemarktdenken een opmerkelijk kritiekloos aanhanger van Thatchers neoconservatieve gedachtegoed. Toch gelooft hij niet in haar analyse dat werkgelegenheid, groei, inflatie en rentestand tenslotte de doorslaggevende posten zijn op de politieke winst- en verliesrekening. Sterker: zijn boek is juist geschreven om deze opvatting te ontzenuwen. Ontdaan van de vele franje (het boek behandelt sterk uiteenlopende onderwerpen, waaronder de politieke conjunctuurcyclus, de groei van de schade van militaire conflicten, en de toekomst van de Europese Monetaire Unie) komt The Cash Nexus neer op de boodschap dat politieke gebeurtenissen de economische positie van een land domineren, en niet andersom. Volgens Ferguson zijn geld, kapitaal en vermogen vergeleken met `seks, macht en geweld' de minder belangrijke factoren in de wereldgeschiedenis.

Met deze stelling keert Ferguson zich niet alleen tegen de filosofie van het politieke establishment maar ook tegen contemporaine economische historici als Paul Kennedy, die economische wetten en grootheden als de belangrijkste determinanten ziet van de opkomst en ondergang van de wereldmachten, en geschiedkundige economen als Bradford DeLong die een directe relatie legt tussen de economische onderbouw en de politieke bovenbouw, en onder meer beargumenteert dat hoge economische groei gunstig is voor het ontstaan van democratische regeringsvormen. In The Cash Nexus heeft Ferguson dit (neo)marxistische verklaringsschema als het ware op zijn kop gezet.

Kip of ei

Het vraagstuk welke factor — politiek of economie — nu historisch gezien feitelijk de dominante is, is evenwel vooral een kip-of-eivraag. Zo'n vraag is principieel onoplosbaar en dat blijkt ook wel want The Cash Nexus kent diverse tegenstrijdige passages. Blijkbaar ligt de samenhang (`nexus') niet zo ondubbelzinnig als Ferguson bij herhaling claimt. Zijn geloof in de ondergeschiktheid van het economische domein en zijn vaak originele argumentatie leveren een zeer leesbare studie op, maar voegen al met al weinig waardevols toe, met name omdat hij geen overtuigend, ondubbelzinnig antwoord geeft op de vraag naar de ondergeschikte positie van het financiële domein. Het bewijsmateriaal in The Cash Nexus leidt niet tot onomstotelijke conclusies waar het gaat om de relatie tussen economische en militair-politieke macht.

Het belangrijkste argument van Ferguson is dat het ontstaan van de moderne financieel-economische instituties in de westerse markteconomie, zoals de centrale bank, het directe gevolg zijn van de eisen die de moderne oorlogvoering stelde aan de volkshuishouding. De noodzaak om omvangrijke oorlogsuitgaven te financieren zou de motor zijn achter de innovaties die zich sinds de achttiende eeuw in de Britse publieke financiën en het openbaar bestuur hebben voltrokken. De militair-politieke vereisten staan volgens Ferguson dus aan de basis van de economische macht van het Britse imperium. Gedetailleerd beschrijft Ferguson hoe de financiële draagkracht van het Verenigd Koninkrijk in deze periode sterk werd vergroot door de opkomst van een moderne professionele bureaucratie (waardoor de inning van belastinggelden veiliger werd gesteld), door de ontwikkeling van een effectieve kapitaalmarkt (waarvoor met name het beheer van de publieke schuld, het ontstaan van verhandelbare obligaties en de instelling van de centrale bank belangrijk waren) en doordat de burgerij bereid bleek tot grotere financiële offers indien daar meer zeggenschap tegenover stond.

Het doorslaggevende belang van deze factoren is dat zodoende niet alleen de belastingbasis voor militaire macht werd verstevigd, maar dat tegelijkertijd een verdere bijdrage werd geleverd aan de versterking van de onderliggende economische structuur. Het toenemende belang van werkzaamheden in de publieke sector vertaalde zich in een versterking van het opleidingssysteem, parlementaire vertegenwoordiging leverde een bijdrage aan wetgeving die particulier eigendom versterkte en hield de belastingdruk onder controle, en het instituut van de centrale bank leverde een bijdrage aan de stabiliteit van het investeringsklimaat. Al deze factoren dragen bij tot de langere Britse financieel-economische adem die in laatste instantie doorslaggevend blijkt te zijn in de concurrentie tussen de Europese natiestaten. Met deze conclusie, die overigens door Ferguson wordt onderschreven, is direct aangetoond hoe moeilijk het is te bepalen waar uiteindelijk het primaat ligt in de symbiotische relatie tussen politiek en economie.

Zijn zelfgekozen positie als bevechter van gevestigde opinies past Ferguson als gegoten. Niet alleen kan hij met zijn prikkelende stellingen zijn reputatie als enfant terrible van de moderne Britse economische geschiedwetenschap versterken, maar ook houden zijn polemische analyses het boek leesbaar en spannend tot op het eind. Alleen, wie The Cash Nexus leest om het definitieve antwoord te vinden op de vraag of Marx nou toch ongelijk heeft gehad, zal bedrogen uitkomen. Daarvoor zijn politiek en economie onderling te zeer verweven.

Niall Ferguson: The Cash Nexus. Money and Power in the Modern World. 1700-2000. Allan Lane, 576 blz. ƒ72,95

    • P.A.G. van Bergeijk