Groenink lijkt meer verdachte dan getuige

Het getuigenverhoor van ABN Amro-topman Rijkman Groenink in de fraudezaak rond het `diamantfiliaal' leverde amusante momenten, maar niet altijd duidelijkheid op.

Als advocaat P. Doedens aan het eind van de middag zijn zoveelste lange vraag formuleert, houdt ABN Amro-topman Rijkman Groenink zich even niet meer in: ,,Ik kan het antwoord alvast geven, misschien winnen we dan wat tijd.'' Doedens reageert pesterig: ,,Tijd genoeg hoor, ik heb net de oppas voor mijn hond geregeld.''

Na bijna zeven uur verhoor is Groeninks gifbeker nog steeds niet leeg. Hoewel hij getuige is in de fraudezaak rond het `diamantfiliaal', lijkt hij meer op een verdachte. Niet alleen de advocaten, ook de rechtbank blijft Groenink doorzagen over de rol van de bank. Juridisch is het van belang een beeld te krijgen van de omgeving waarbinnen de vier verdachten bijna 180 miljoen gulden konden verduisteren. Dat beeld lijkt niet al te gunstig voor ABN Amro.

Op de afdeling, met vooral diamantairs als klant, was sprake van een contante dollarkas, honderden anonieme nummerrekeningen en een slechte controle en administratie. ,,Een kankergezwel'', noemde Groenink de afdeling aan de Amsterdamse Sarphatistraat. En dus was ,,vanaf de eerste dag duidelijk'' dat er aangifte zou worden gedaan: ,,De beginselen van de rechtstaat zijn voor ons uiteindelijk belangrijker dan reputatieschade.'' Maar juist daarover ontstond twijfel. Waarom werkte ABN Amro zo stroef mee aan het politieonderzoek? Wilde de bank de zaak eigenlijk niet in de doofpot houden? Waarom werd die aangifte pas na vijf maanden gedaan, nadat de affaire was uitgelekt? ,,Wonderlijk'', noemde de rechtbank Groeninks lezing dat er binnen de raad van bestuur weliswaar ,,de geest leefde'' dat er aangifte moest worden gedaan, maar dat hij niet kon aangeven wie daartoe wanneer uiteindelijk had besloten.

Toen hem een persbericht werd voorgelegd waarin een ABN Amro-woordvoerder stelt dat melding bij de politie wordt ,,overwogen'', zei hij: ,,Dit persbericht komt niet overeen met mijn standpunt toen.'' De ABN Amro-topman bleef volhouden dat het doen van aangifte altijd de bedoeling was. Deze uitspraak lijkt in strijd te zijn met een interview dat Groenink destijds aan de tv-zender AT5 blijkt te hebben gegeven. Dat vraaggesprek vond plaats op de dag dat details over de fraude uitlekten. In het interview zegt Groenink letterlijk: ,,We zullen ons de komende week beraden of we dus op basis van de bevindingen [van een intern onderzoek] aangifte zullen doen.'' Advocaten lieten vanochtend weten Groenink opnieuw als getuige te willen oproepen.

Zo bleek de lengte van het verhoor geen garantie voor duidelijkheid. De rechtbank had moeite met Groeninks argumentatie om na de fraude alle nummerrekeningen op te heffen. Was dat om de afdeling rigoreus weg te werken of om de werkwijze te veranderen? Volgens de topman gebeurde het wegens de aard van de klanten. Maar die konden hun geld wel voor een normale rekening omruilen. ,,Ik snap niet hoe uw oplossing het probleem wegneemt'', concludeerde rechter Lind. Maar is het trouwens niet zo, vroeg een van de raadslieden, dat ABN Amro in bijvoorbeeld Zwitserland nog steeds nummerrekeningen aanbiedt? Groenink: ,,Dat weet ik niet.''

De rechtbank kwam aan het eind van de dag terug op de kernvraag van de zitting: ,,Heeft de bank haar mensen niet laten werken in een grijze atmosfeer? Moet de hand niet in eigen boezem?'' Groenink erkende dat de situatie in de Sarphatistraat ,,totaal onaanvaardbaar'' was. Maar toen raadsman O. Hammerstein hem eerder voorlegde of hij het Slavenburg-arrest kende, waarin feitelijk leidinggevenden werden vervolgd omdat zij strafbare handelingen gedoogden, antwoordde Groenink onbewogen: ,,Nee, toen was ik nog maar bankbediende.''

    • Joost Oranje