Even wat bezinning

`Er is de laatste jaren een heuse filosofische markt ontstaan', schrijft de journalist en filosoof Antoine Verbij in Denken achter de dijken. `Op die markt worden filosofische diensten en producten aangeboden en afgenomen.' Een filosofische markt, zoiets was tien jaar geleden nog ondenkbaar: de filosofie bestond nauwelijks buiten de universiteiten. Sindsdien is er veel veranderd: in de grote steden zijn filosofische cafés opgericht die veel publiek trekken, en Filosofie Magazine groeide uit tot een tijdschrift met twaalfduizend abonnees. Op de filosofische markt bleek plaats voor velerlei diensten en producten, zoals `denkvakanties', `dilemmatrainingen' voor managers en het filosofisch consult voor mensen die worstelen met `fundamentele vragen'.

In Denken achter de dijken brengt Antoine Verbij deze groeimarkt van de publieke filosofie in kaart. Zo'n 1.500 gediplomeerde filosofen zijn er werkzaam, waarvan het grootste deel onderwijs geeft op middelbare scholen en opleidingen voor volwassenen. Verbij richt zijn aandacht voornamelijk op de drie- à vierhonderd beroepsfilosofen die werken in de politiek, het bedrijfsleven, de media of in een eigen praktijk. `Ik vel nauwelijks oordelen over wat ik heb gezien en gelezen', schrijft hij.

Rondvaartboot

Het is misschien een filosofische deugd om niet te snel te oordelen, maar de auteur laat op vele plaatsen wel degelijk doorschemeren dat hij het wijsgerig gehalte van al die diensten en producten twijfelachtig vindt. Zo schrijft hij over de organisator van een filosofische wandeling: `hij heeft de uitstraling van een gids op een Amsterdamse rondvaartboot, maar het lijkt de mensen niet te deren – zij zijn er even uit'. Zulke oordelen geven het boek de nodige scherpte; de filosofische markt op zichzelf levert namelijk maar weinig boeiende taferelen.

De suffe titel alleen al, Denken achter de dijken, suggereert dat ze niet veel voorstellen, die polderfilosofen. En inderdaad, als je zoekt naar filosofen met gezag, figuren met uitstraling als Scruton, Sloterdijk of Lévy, alle drie nooit te beroerd om zich in het publieke debat te mengen, dan zul je over de dijken moeten kijken. Nederlandse academische filosofen beperken zich meestal tot het schrijven van artikelen in vakbladen voor hun vakgenoten, want daar hangt hun wetenschappelijke carrière vanaf. Ze bedrijven voetnotenfilosofie, en missen de tijd of het lef om nieuwe ideeën of verrassende meningen over actuele onderwerpen te lanceren.

En de publieke filosofen? Die spelen een bescheiden rol in de media. `Waar ze moeten opboksen tegen professionele publicisten en opiniemakers, komen ze er nauwelijks aan te pas', aldus Verbij. Op hun eigen plekje mogen ze een soort journalistieke filosofie bedrijven, waar ze de gedachten van canonieke filosofen vereenvoudigen voor het grote publiek; op de televisie zijn ze helemaal afwezig. Verbij wijt het aan een gebrek aan retorisch talent en gevoel voor polemiek. Bovendien zijn publieke filosofen `nogal terughoudend als het gaat om het leveren van ideeën'.

Dat is een treffende constatering, want filosofen willen doorgaans wel een discussie ophelderen, maar ze zijn te zeer twijfelaars om er aan deel te nemen. Ze leveren denkvaardigheden en wijsgerige deugden, ze willen de mensen mondiger maken, een `open en onderzoekende houding' tegenover de wereld stimuleren en respect voor de mening van een ander. De publieke filosofie `versterkt de democratie' volgens Verbij, maar haar bijdrage blijft formeel. Ze maakt het maatschappelijk debat mogelijk maar laat verstek gaan als er geroepen wordt om nieuwe ideeën. Publieke filosofen verwijzen hoogstens naar de ideeën van andere filosofen; zonder krukken kunnen ze blijkbaar niet lopen.

De deugden die de filosofen ons willen bijbrengen leiden eerder tot een cultuur van overleg en consensus dan tot spannende debatten; ze scheppen daartoe hooguit de formele voorwaarden. De ruimte van een volwaardig debat kan natuurlijk alleen bestaan in een democratie, maar binnen die ruimte moet de tirannie vrij spel krijgen. Polemiek is oorlog, een strijd met winnaars en verliezers, terwijl de filosoof zelfs te beschaafd is om de ander ongelijk te geven; dat getuigt immers van een gebrek aan respect. De tegenstander heeft geen ongelijk, nee, hij beziet de dingen vanuit een ander kader, en zijn recht op subjectiviteit is nu eenmaal onaantastbaar.

Antoine Verbij brengt in zijn boek alle filosofische diensten en producten onder dezelfde noemer: het zijn instrumenten voor de `verbreiding van een filosofische cultuur'. En die verbreiding is natuurlijk een goede zaak, zolang het inderdaad om filosofische cultuur gaat, en om filosofen die niet pretenderen een antwoord te hebben op zingevingsvragen en hulp te kunnen bieden bij levensproblemen. Onder publieke filosofen wint de laatste jaren de opvatting van filosofie als levenskunst aan populariteit. Recent verschenen boeken als Geen pillen maar Plato! en De troost van de filosofie creëren het valse beeld dat de filosofie oplossingen kan bieden voor het persoonlijk leven.

Vooral de filosofisch consulenten bieden filosofie aan als een middel om niet alleen wijzer maar ook gelukkiger te worden. Over de methoden blijken de consulenten het echter oneens, evenals over de vraag welke problemen nu wel en niet behandeld kunnen worden. Een van hen vertelt dat hij in zijn praktijk geconfronteerd wordt met vragen als `moet ik nu breken met de kerk of niet?', `bestaat er een leven na de dood?' en `hoe kom ik van mijn depressie af?'. De meeste cliënten weten blijkbaar niet wat ze kunnen verwachten. `Ik krijg mensen met een behoorlijke psychopathologische problematiek', vertelt een andere consulent. `Ik ben geen therapeut, ik ben een meedenker, ik werk op een cognitief, intellectueel niveau.'

Lijden

Een goede consulent kan de cliënt vertrouwd maken met filosofische reflectie en hem helpen zijn problemen te analyseren op rationeel niveau. Het lijden wordt er misschien iets draaglijker van, maar het zal niet veranderen in klinkklaar geluk. Een consult biedt op zijn best dus een goed filosofisch gesprek, voor honderdvijftig gulden per uur. Kwalijk is wel dat de kennis van de psychiatrie en klinische psychologie minimaal is onder filosofische consulenten, zoals Verbij constateert. Hoe kun je dan onderscheiden of je met een piekeraar of een neuroot te maken hebt?

Een echte verklaring voor het ontstaan van de filosofische markt en de verspreiding van de filosofische cultuur geeft Verbij niet. Waarom zouden al die mensen bereid zijn wijsgerige vaardigheden en deugden aan te leren? De hypothese dat `filosofie bezig was zich te ontwikkelen tot een concurrent voor de bestaande religies en spirituele stromingen', bleek volgens Verbij onjuist. De voortschrijdende ontkerkelijking zal wel een rol spelen, maar de meeste mensen die zich voor filosofie beginnen te interesseren weten wel dat zij geen alternatief is voor religie en geloof.

Misschien heeft de opmars van de filosofie in Nederland wel iets met de welvaart te maken, die de mensen toch niet de voldoening geeft die ze er van verwacht hadden.

Wat Verbij schrijft over de bedrijfsfilosofen, zou voor de hele filosofische markt kunnen gelden: `in een tijd van economische voorspoed permitteren organisaties zich de luxe van bezinning. [...] zodra het even minder zal gaan met de economie, zijn de filosofen de eersten die op straat staan'.

Antoine Verbij: Denken achter de dijken. De opmars van de filosofie in Nederland. Ambo, 242 blz. ƒ42,50