En de schrijver, hij plant zich voort

Schrijven is baren, en nergens wordt die metafoor zo letterlijk genomen als in Hollywood. Wie niet schrijft, is impotent.

`Weet je waarom schrijvers lezingen geven in cafés en in winkels?''

,,Om te kunnen neuken.''

,,O, en lukt dat?''

,,Nou, vrouwen doen het vooral met schrijvers van slechte boeken.''

Zo ongeveer gaat een dialoogje tussen twee schrijvers in de film Finding Forrester van Gus van Sant, sinds kort te zien in de Nederlandse bioscopen. De ene schrijver is een oude man. Hij wordt gespeeld door Sean Connery en hij heet William Forrester. Ooit schreef hij een great American novel, maar heeft nu al jaren geen letter meer gepubliceerd. Hij heeft een afkeer van de literaire wereld gekregen en leeft geïsoleerd in zijn appartement. De andere schrijver is zijn pupil, een zestienjarige veelbelovende jongen uit de Bronx, James Wallace.

Uit de dialoog kan je drie conclusies trekken. Eén: het schrijverschap is een manier om vrouwen het bed in te lokken. Dat is geen opzienbarend nieuws. Rudy Kousbroek gaf ooit als antwoord op de vraag waarom hij schreef `om jonge-meisjes harten te veroveren'. En Ronald Giphart echoot het hem in al zijn boeken steeds weer plastisch na: `Literatuur is neuken'. Tweede conclusie: de schrijver is een man (of lesbisch, maar dat zal hier niet bedoeld zijn). Dat is inmiddels achterhaald, maar nog niet op het witte Hollywood-doek. Conclusie drie: als hij een goede schrijver is, dan is hij geen rondreizende circusartiest die in cafés en in winkels zijn kunstje vertoont. Hij schrijft namelijk, en plant zich niet in het werkelijke leven, maar op papier voort. Ook dat is niet nieuw; recent is het zelfs weer zeer hip om je als échte goede schrijver te onderscheiden van de massa door je terug te trekken in de ivoren toren. Arnon Grunberg maakt er een sport van om afwezig te zijn. Ook Jeroen Brouwers sprak onlangs tijdens de ontvangstneming van de Gouden Uil prijs zijn afkeer uit van de schrijver die overal op komt draven om zijn gezicht te laten zien en zo de spil wordt van een prijzen-, marketing- en mediacircus. Paradoxaal genoeg is de afwezigheid van de schrijver overigens een zeer effectieve manier om publiciteit te genereren en je naam te laten circuleren.

Wél opmerkelijk aan Finding Forrester is de kleur van de jonge schrijver. In de Hollywoodfilm is de zwarte schrijver als personage een curiosum. De zwarte man kreeg vaak de rol van de komiek, van de dikke nutty professor, de assistent-detective die de ene na de andere avontuurlijke achtervolging trotseert, of de sportheld. Om ons een beetje aan het idee van het nieuwe zuiver geestelijke beroep van de zwarte man te laten wennen, heeft de filmmaker hem een fysieke hobby gegeven die hem veel streetcredibility verleent. Anders dan zijn meester Forrester, die ver verheven boven de wereld op de zoveelste verdieping van een appartementencomplex woont, staat Wallace in contact met de `echte' wereld. Hij komt uit een arm gezin, dat in de steek is gelaten door zijn verslaafde vader. Sinds die tijd pent Wallace notitieboekjes vol. Dankzij zijn basketball- en schrijftalent wordt Wallace toegelaten op een blanke eliteschool. Hij kan daar leren schrijven, en in ruil daarvoor wint hij voor hen sportwedstrijden. Hoewel Wallace zich ziet geconfronteerd met het witte patriarchale en elitaire bolwerk, is hij geen angry young black man die overloopt van black pride. Integendeel, hij is een zachtaardige gevoelige jongen die een blanke man met een dikke BMW niet fysiek, maar verbaal de les leest. Mind you, hij is een man van woorden, een schrijver.

Finding Forrester staat in de traditie van de schrijversfilm. Eigenlijk gaan films waarin schrijvers de hoofdrol spelen zelden over wat schrijvers de hele dag doen. Schrijversfilms waarin schrijvers twee uur tikkend achter de machine zitten, zouden voor de kijker erg saai zijn. Meestal gaan schrijverfilms dan ook over beginnende of worstelende schrijvers, over schrijvers die nog niet of niet meer schrijven. Te denken valt aan de debuterende schrijver Erik in Ik ook van jou (2001), of aan Woody Allens Deconstructing Harry (1997) over Harry Block (!) die worstelt met een writer's block. Wonder Boys (2000) gaat over schrijver Grady Tripp (!), gespeeld door Michael Douglas, die teveel wiet rookt, en daarom te gedetailleerd is en geen einde kan breien aan zijn eindeloze manuscript. Niet alleen als schrijver falen ze, ook hun liefdeslevens zijn niet al te best. Erik wordt gekweld door herinneringen aan een destructieve relatie, Block is gescheiden, Tripp ligt ook in een scheiding, de bleke puber ligt niet erg in de smaak bij vrouwen, Forrester heeft vrouw noch nageslacht en ook Wallace heeft (nog) geen vriendinnetje. Geen seks voor de heren en ook geen boeken. Noch in het echte leven, noch op papier planten ze zich voort.

Deze `impotente' levens van de schrijvers zijn een letterlijke uitwerking van de metafoor `kunst is nageslacht'. `Kunst is nageslacht' is de metafoor die het denken over het schrijverschap gestalte geeft en vrijwel alle schrijversfilms structureert. Het kunstenaarschap wordt vergeleken met het geboorte geven aan nieuw leven, en over het scheppend vermogen van de schrijver wordt vaak metaforisch en spreekwoordelijk in prenatale termen gesproken: `het boek verkeert nog in een embryonaal stadium', `dat is een vruchtbaar idee', `hij heeft een nieuw werk voortgebracht', `het was een hele bevalling', `kunst brengt kunst voort'. De schrijver die lijdt aan een schrijfprobleem, heeft een vruchtbaarheidsprobleem. Hij kan geen geboorte geven aan `nieuwe geesteskinderen'.

In Finding Forrester worden voortplanting en schrijven nadrukkelijk aan elkaar gekoppeld. Wanneer de jonge Wallace in een vruchtbare omgeving, namelijk op zijn slaapkamer, pogingen doet een roman te schrijven, horen we de bovenburen luidruchtig vrijen. Onbewust leggen we als kijker het verband: boven wordt een kind gemaakt, en Wallace schept zijn papieren baby. Forrester heeft een enorme bibliotheek en leest regelmatig de woorden van andere schrijvers, in de hoop dat kunst hem tot kunst zal inspireren, dat kunst nog meer kunst zal voortbrengen. De namen van de schrijvers doen vagelijk denken aan die van beroemde schrijvers. William Forrester is een soort samensmelting van William Shakespeare en E.M. Forster, en James Wallace klinkt ook als een bekende, reeds lang gestorven schrijver: Henry James met Edgar Wallace.

Een tweede terugkerend cliché in schrijverfilms is de meester-leerling relatie. In Wonder Boys probeert Tripp zijn talent over te dragen op een getalenteerde jonge schrijver. Deze slechte, bleekuitziende snoepende en drinkende witte jongeman doet alsof hij een lastige jeugd achter de rug heeft, maar liegt over zijn verleden. Hij heeft rijke ouders en altijd de wind mee gehad. Anders dan Wallace met zijn verslaafde vader, weet hij dus niet zo goed waarover hij moet schrijven. Behalve dan over zijn witte naveltje.

In Finding Forrester zet Forrester Wallace achter zijn schrijfmachine. Om hem op gang te helpen, laat hij hem een verhaal van hemzelf overtypen, omdat die hem kan helpen om de pen los te maken. Al overschrijvende zal Wallace op een gegeven moment zijn eigen verhaal ervan maken en het verhaal van de meester herschrijven. Blanke geciviliseerde man leert zwarte ruwe straatjongen hoe je behoorlijk moet praten en schrijven. Maar echt gedwongen wordt de jonge Wallace niet: hij werpt zich vol overgave in handen van de door hem zo bewonderde literaire meester. Wat overigens niet wil zeggen dat alle witte mensen in Finding Forrester het goede met Wallace voorhebben: de bazen van de witte rijke school buiten hem uit en willen van zijn talenten profiteren.

De zwarte leerling-witte meester verhouding mag dan in de schrijversfilm een nieuw thema zijn, het deed mij allemaal sterk denken aan de afgelopen Boekenweek, dat als thema `tussen twee culturen' had. Een grote groep gekleurde schrijvers deed hard hun best om niet op hun kleur of afkomst aangesproken te worden, maar op hun werk. En om die uitspraak kracht bij te zetten, noemden ze met grote graagte hun meesters, de schrijvershelden bij wie ze de kunst afkeken. Ramsey Nasr refereerde in een interview met Volkskrant Magazine aan P.C. Boutens en J.C. Bloem. Khalid Boudou nam Arnon Grunbergs boeken mee naar een onbewoond eiland. De dichter Afshin Ellian gaf in het tv-programma De Plantage – nadat hij eerst Yasmine Allas weinig subtiel had gekielhaald door haar boek als `damesroman' te bestempelen – te kennen zich te meten aan Harry Mulisch en had ook graag Adriaan van Dis op de lijst van uitverkoren Boekenweekschrijvers gezien.

In datzelfde programma deed Said El Haji als enige niet krampachtig een beroep op de `universele en grenzeloze literatuur' om vervolgens een lijstje Witte Canonieke Helden op te noemen. Hij gaf als charmante `allochtoon-verleider' met een grote glimlach te kennen dat hij trots was om op lijst te staan van hoge kwaliteit, met onder anderen Benali en Boudou. Intussen schilderden de schrijvers de literaire wereld, critici en uitgevers af als de commerciële witte uitbuiters van de exotische zwarte ander, de slechteriken, de hongerige geldwolven.

Boekenweek of film, werkelijkheid of fictie, de leerling-meester relatie is er één tussen mannen, soms met homo-erotische connotaties. In het begin van Finding Forrester zien we de oude Forrester met een verrekijker loeren naar een groep viriel uitziende stoere jongemannen die een potje basketbal spelen. Forrester is een schrijver zonder gezin, zonder kinderen, zonder vrouw. Misschien houdt hij wel van jongens! De casting van Sean Connery ondermijnt echter ogenblikkelijk dergelijke fantasieën. We zien zijn Dr. No James Bond foto even passeren in de film en weten: hier staat een brok mannelijkheid, en, hoewel hij tijden niks heeft gepubliceerd, hij straalt uit dat aan zijn literaire potentie waarschijnlijk ook niks mankeert. We moeten een `vader-zoon'-gevoel krijgen.

In Finding Forrester komt bovendien een wit meisje voor dat belangstelling aan de dag legt voor Wallace. Wellicht moet deze weinig overtuigende beginnende liefde het Hollywood-tegengif zijn om ook de kijkende vrouw een mogelijkheid tot identificatie te bieden en om een eventuele overheersende homo-erotische toon te temperen. Opdat daarover maar geen misverstanden moge bestaan (desalniettemin kopte de recensie van de film in NRC Handelsblad `mietjes'!). Bovendien, en dit is het vooruitstrevende aspect van de film, belooft de potentiële, niet geconsumeerde interraciale liefde en de homo-erotische zwart-witte meester-leerling verhouding, een interessante bevruchting die kan leiden tot een leuk multi-culti kindje: een hybride bestseller, een nieuw soort literatuur!

Dankzij zijn vriendschap met Wallace bloeit Forrester weer op en besluit hij uiteindelijk het leven weer te omhelzen. Hij vertrekt naar Schotland, waar zijn wortels liggen. Wallace krijgt intussen allerlei aanbiedingen van uitgevers. Tegen het einde van de film bereikt hem een triest bericht. De oude Forrester is gestorven. Hij heeft echter wel een pakje achter gelaten en de sleutels voor zijn appartement. De ivoren toren is nu van Wallace. In het pakje bevindt zich een nieuw boek van Forrester. Op de kaft staat dat het voorwoord door Wallace geschreven zal worden. Forrester is dood, maar hij laat twee zonen achter: zijn boek en zijn zwarte `kind'.

De moraal van Finding Forrester is daarmee uiteindelijk toch zoals we van een Hollywoodfilm gewend zijn: schijnbaar progressief. Aan de ene kant wordt het bolwerk van de oude schrijvende witte bebrilde man met een baard in zijn ivoren toren afgebrokkeld. De toekomst is aan de jonge zwarte schrijver van de straat. Zijn American dream komt nu uit, de maatschappij is klaar voor zijn great American novel. Maar de kunst van het schrijven heeft hij van zijn dode witte meester afgekeken. Die mag dan afwezig zijn, via zijn woord plant hij zich nog altijd verder voort. De film heet dan ook Finding Forrester en niet Finding Wallace. Film is net het echte leven.

`Finding Forrester' is te zien in bioscopen door het hele land, `Wonder Boys' alleen in Lumière in Rotterdam.

    • Stine Jensen