Een vette klap in de maag

In een hamburger kan het vlees van tientallen verschillende runderen zitten, is een van de verontrustende conclusies die journalist Eric Schlosser trekt in zijn studie naar de fastfoodindustrie. Die stinkt nog meer dan voorstelbaar leek.

Toen de Amerikaanse schrijver Upton Sinclair in 1906 The Jungle publiceerde, een sociaal-realistische roman over de slachthuizen van Chicago, veroorzaakte hij een schokreactie waar een moderne schrijver slechts van kan dromen. De arbeidsomstandigheden die hij beschreef, waren dan ook niet anders dan gruwelijk te noemen: verwondingen, ernstige ongelukken en onhygiënische praktijken waren in Chicago, destijds hét centrum van de slachtindustrie, aan de orde van de dag. Na lezing van The Jungle stelde president Theodore Roosevelt een onderzoekscommissie in, die al Sinclairs bevindingen over de industrie bevestigde. Hetzelfde jaar werd er een nieuwe voedselwet aangenomen. Maar aan de positie van de werkers zelf werd weinig gedaan. `I aimed for the public's heart, and by accident I hit it in the stomach', zou de socialist Sinclair hier later in zijn autobiografie over opmerken.

Bijna honderd jaar na The Jungle zijn Sinclairs beschrijvingen nog altijd niet achterhaald, stelt de Amerikaanse journalist Eric Schlosser in zijn eigen, al even vernietigende exposé van de Amerikaanse voedselindustrie, Fast Food Nation. Schlosser (41) beperkte zich daarin niet tot de vleesverwerkende industrie. Fastfood, stelt hij, heeft een revolutionaire uitwerking gehad op het Amerikaanse leven van de afgelopen veertig jaar, en ligt ten grondslag aan ingrijpende veranderingen in het Amerikaanse dieet, landschap, de economie, landbouw, sociale verhoudingen, arbeidsmarkt en de populaire cultuur.

Die veranderingen laat hij zien in een meeslepende combinatie van reportage, cultuurgeschiedenis en gedegen sociologisch onderzoek. Schlosser trok op met onafhankelijke ranchers in het Westen, waadde tot aan zijn enkels door het bloed in een uitzonderlijk smerig slachthuis, bezorgde een avond lang fastfoodpizza's in Pueblo, Colorado, sprak met illegale immigranten die het vuilste en gevaarlijkste werk in de industrie moeten opknappen, bezocht een futuristische smaakstoffenfabriek, ging naar marketingcongressen en interviewde miljardairs uit de branche. Daarnaast maakte hij gebruik van hem toegespeelde geheime interne memo's van McDonald's, van artikelen, films, tv-programma's, en een schier eindeloze lijst rapporten, cijfermateriaal en boeken over het onderwerp – Fast Food Nation heeft een notenapparaat van 55 pagina's, een index en een indrukwekkende bibliografie. En hij at een heleboel hamburgers in een heleboel fastfoodrestaurants.

Schlossers bevindingen, kortom, maken een betrouwbare indruk. Uit zijn boek rijst het beeld op van een industrie die door en door rot is. Dat geldt voor zo wat alle aspecten van de voedselindustrie die hij in zijn afzonderlijke hoofdstukken behandelt. Binnen de verschillende takken van de industrie zijn dan ook steeds dezelfde ontwikkelingen te signaleren. Telkens is er sprake van toenemende industrialisering, schaalvergroting en machtsconcentraties. Uniformiteit, conformisme, een constante doorstroom en het lopendebandprincipe staan centraal, of het nu gaat om het fokken van vee, de bereiding van een Big Mac of de behandeling van `wegwerpwerkers' in de sector.

Drive-in restaurant

Het is een ontwikkeling die in gang werd gezet door (wie anders ook) de gebroeders McDonald, die halverwege de jaren veertig een goedlopende hamburgerzaak dreven in San Bernardino, Californië. Daar waren er in die streek wel meer van – het drive-in restaurant ontstond als antwoord op de urban sprawl van Los Angeles en een groeiende mobiliteit – maar de McDonald's hadden het lumineuze idee om al hun serveersters te ontslaan, alle gerechten van het menu te schrappen waar je bestek voor nodig had, en het industriële lopendebandprincipe toe te passen op hun restaurantkeuken. Vanuit het hele land stroomden de ondernemers toe om dit `Speedee Service System' te kopiëren, maar de ambities van de McDonalds zelf reikten niet verder dan San Bernardino. Een slimme entrepreneur, Ray A. Kroc, kocht de concessierechten op het restaurant, en de rest is geschiedenis, zoals dat heet, een geschiedenis die nu kan worden bekeken in het Ray A. Kroc Museum, achter de McStore, naast de Hamburger University waar je een `Degree in Hamburgerology' kunt volgen (duur: twee weken), in twintig verschillende talen.

De geschiedenis die Schlosser schetst, wijkt iets af van het beeld dat in het Ray A. Kroc Museum gecreëerd wordt. Zo laat hij zien hoe de explosieve groei van de grote restaurantketens sinds 1960 slechts mogelijk was dankzij een spotgoedkope arbeidspool van tieners, en de geleidelijke verlaging van het minimumloon. En hoewel het ideaal van de corporaties `zero training' van werknemers is, door een keukenuitrusting die geen speciale vaardigheden behoeft, incasseren ze ondertussen federale subsidies voor elke nieuwe employé die ze een `job training' geven. Deze McJobs zijn even fast als het eten: het verloop van arbeidskrachten is ruim 400 procent per jaar.

Subsidies zijn er ook voor het openen van een nieuwe franchise, als hulp aan `startende bedrijfjes'. Maar voor zover het geen subsidies betreft, kenmerkt de houding van de fastfoodsector tegenover de federale overheid zich door verbeten verzet, tegen het minimumloon, tegen veiligheidsvoorschriften, tegen inspecties en tegen werknemersrechten. De onverzoenlijke haat die McDonald's koestert jegens vakbonden is een amusant verhaal apart, waarin onder meer massaontslagen, leugendetectortesten en undercover spionnen figureren. Tot op heden is geen van de werknemers in de 15.000 McDonald's restaurants in Noord-Amerika lid van een vakbond.

Het kan echter erger. Het verhaal van de fastfoodwerknemers mag dan een litanie van sociaal onrecht zijn, dat van de arbeiders in de slachtindustrie is er één van pure fysieke horror, zoals Schlosser met bloedige anekdoten illustreert. Sinds de slachthuizen rond 1960 dezelfde arbeidsprincipes gingen toepassen als McDonald's had gedaan – een lopendebandsysteem dat geschoolde werkers overbodig maakte – werd wat vroeger een goedbetaalde middle class baan in de vleesindustrie was tot een van de laagstbetaalde gevaarlijke klusjes voor ongeschoolde, ongeletterde, en vaak illegale immigranten, rechtstreeks uit Mexico. Zoals runderen vanuit het hele land naar de slachthuizen worden vervoerd, zo laten diverse bedrijven ook bussen rijden van de Mexicaanse grens rechtstreeks naar de slachterij, gevuld met vervangbaar cheap labor.

En vervangbaar moeten ze wel zijn, want ruim één op de drie werkers in de slachthuizen raakt zodanig gewond dat medische zorg van de Eerste Hulp niet volstaat. Dat cijfer is afkomstig uit de ongevallenlogboeken van de slachtindustrie zelf, en dus hoogstwaarschijnlijk te laag. Sinds de vleesindustrie onder Reagan en Bush sr. met succes lobbyde tegen inspecties en overheidstoezicht, is de branche een schoolvoorbeeld van de corrumperende effecten van zelfregulering geworden. Onder Reagan – de man die fastfoodmaaltijden voor schoolkinderen verantwoordde met de bewering dat ketchup een groente was – wist de industrie bovendien met succes het testen van vlees op microben tegen te houden, en konden grote vleesverwerkende bedrijven onbelemmerd fuseren tot het handjevol megacorporaties dat de markt nu volledig onder controle heeft. De gevolgen voor de landbouw zijn dat traditionele, onafhankelijke ranchers onder druk van de vaste afnameprijzen, overproductie, hoge grondprijzen, belastingen en voedselschandalen nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Het zelfmoordpercentage onder boeren is tegenwoordig drie keer het nationale gemiddelde.

Ziekten

Bovendien bleek de industriële manier van vlees produceren en vlees verwerken – het gevolg van de vraag naar uniforme grondstoffen voor uniforme producten – `een extreem efficiënt systeem voor het verspreiden van ziekten', zoals salmonella en E. coli. Zo kan in één enkele hamburger vlees zijn verwerkt van tientallen verschillende runderen. Schlosser wijdt er een bepaald onsmakelijk hoofdstuk aan, met als conclusie: `there's shit in the meat' – figuurlijk èn letterlijk, door de onhygiënische slachtmethoden.

Schlosser besluit zijn boek met de veelzeggend getitelde epiloog `Have it your way', waarin hij met een lijstje aanbevelingen komt. Die vormen de logische conclusie van het voorafgaande: meer overheidsbemoeienis en schaalverkleining, onder meer door een verbod op advertenties gericht op kinderen, het stopzetten van subsidies aan de fastfoodindustrie, toezicht op het naleven van antitrustwetten en veiligheidsmaatregelen, en op het uitbetalen van het minimumloon, het creëren van een inspectieorgaan voor de voedselindustrie, en het bestraffen van slachthuisbazen voor ernstige of dodelijke ongevallen door nalatigheid.

Maar Schlossers suggesties voor wat het Congress allemaal zou moeten doen blijken uiteindelijk slechts een vernietigende manier om het vertrouwen in de overheid op te zeggen. Na `what to do' volgt een `how to do it', waarin hij botweg stelt: `De politieke invloed van de fastfoodindustrie en aanverwante branches maakt een discussie van wat het Congress zou moeten doen grotendeels academisch.' In plaats daarvan roept hij zijn lezers op om te stemmen met de voeten, door de fastfoodketens de rug toe te keren. Consumenten vormen namelijk de enige groep waarnaar de fastfoodondernemingen wel móeten luisteren, aldus Schlosser. Als de consument biologische scharrelhamburgers wil, dan zal de industrie die ook leveren. Ze zullen immers alles leveren waarop winst gemaakt kan worden.

Toch lijkt Schlossers appel aan de consument eerder een vorm van wishful thinking dan een serieus antwoord op de problemen. Heeft hij in het voorgaande juist niet uitputtend beschreven tot welke nachtmerrieachtige misstanden zelfregulering in de voedselbranche heeft geleid? Het is onwaarschijnlijk dat de consument daar verandering in kan brengen, als de overheid niet ook een handje meehelpt.

Upton Sinclair mikte in The Jungle op het hart, en raakte de maag van de consument. Eric Schlosser mikt in Fast Food Nation op het hart, de maag, en het geweten van de consument. Het resultaat is een fenomenaal staaltje onderzoeksjournalistiek dat een omslagpunt markeert in het denken over de moderne voedselproductie. Maar het staat te bezien of Schlossers onontkoombare conclusies zich, zoals hij hoopt, zullen vertalen naar het eetgedrag van het brede publiek.

Het vermoeden rijst dat wie werkelijke veranderingen wil bewerkstelligen, niet kan volstaan met het mikken op hart, maag of geweten. Die zal de consument, én de producent, de echte, maatschappelijke, ecologische en medische prijs van zijn te goedkope voedsel moeten doen voelen door te mikken op zijn gevoeligste orgaan, de portemonnee.

Eric Schlosser: Fast Food Nation. The Dark Side of the All-American Meal. Houghton Mifflin, 356 blz. ƒ69,–

    • Corine Vloet