Een kille Duitse liefde

Een man wiens vrouw zelfmoord pleegt slaat geen goed figuur. Zo vergaat het de hoofdpersoon in de nieuwe roman van de Zwitserse auteur Adolf Muschg, Sutters Glück. Sutter heet in werkelijkheid Emil Gycax, maar sinds hij met zijn vrouw Ruth een tentoonstelling heeft bezocht van de schilder Louis Soutter, wordt hij door haar Sutter genoemd. Je minnaar een troetelnaam geven die verwijst naar een bekend kunstenaar, is dat niet een wat onpersoonlijke liefkozing?

Deze daad van Ruth lijkt bij hun verhouding te horen. Ze hebben elkaar pas ontmoet toen ze al voorbij de vijftig waren. Tot verbazing van Sutter was Ruth onmiddellijk op zijn huwelijksaanzoek ingegaan. `Ik geloof dat ik je kan verdragen', had ze als verklaring gegeven. En haar voorwaarden waren duidelijk: er moet afstand blijven, het moet niet te intiem worden, vooral niet in woorden.

Ruth houdt niet van vragen en nog minder van conflicten. Er wordt dus veel verzwegen, vooral over het verleden dat ze niet met elkaar hebben gedeeld. De dingen worden niet uitgesproken, hoogstens indirect aangeduid. Die houding hoort bij de sfeer van discretie en distantie die ze respecteren en zelfs koesteren als het pantser van hun gecodeerde vertrouwelijkheid. Ruth is bezig een boek te schrijven, maar ze doet dat in een geheimtaal die voor Sutter ontoegankelijk blijft. Ze is rijk, maar hoe rijk, dat weet hij niet. Ze laat haar geërfde kapitaal ongebruikt. Ze leven samen van Sutters pensioen. Na haar dood, zo heeft ze besloten, zal Sutter niet van haar erven. Bovendien zal hij ook dan nog niet te weten komen hoeveel geld zij heeft bezeten, want het beheer over dit kapitaal zal in handen komen van een advocaat. Sutter zal er maandelijks een toelage uit ontvangen.

Zolang ik leef, zegt Ruth, verzorg jij mij. Als ik dood ben, verzorg ik jou. Die dood kondigt zich aan als ze kanker krijgt. Ook over haar pijn en doodsangst zwijgt ze. De meesterlijke stilist Muschg beschrijft gevoelvol maar zonder enige pathetiek hoe de verhouding tussen Sutter en Ruth tijdens haar laatste levensfase verloopt. Hij leest haar voor uit de sprookjes van Grimm. Een melancholieke tederheid vermengt zich met de mysterieuze onverschilligheid die hun relatie van begin af aan heeft gekenmerkt en die ook aan het slot niet verdwijnt. Ze overlijdt door zichzelf te verdrinken. Doet ze dat om uit haar pijn te worden verlost?

Na haar dood gebeuren er in het leven van Sutter vreemde dingen, waarop Muschg gaande weg zijn greep verliest. Suspense en misdaad doen hun intrede. Aanvankelijk valt het nog mee: elke avond wordt Sutter op dezelfde tijd opgebeld en als hij opneemt wordt er neergelegd. Vreemd, hoewel nog niet beangstigend. Maar dan wordt hij op straat beschoten en in de borst geraakt. Hij overleeft de aanslag en heeft geen flauw idee wie de dader kan zijn. Terug uit het hospitaal begint hij oude stukken door te lezen die hij als rechtbankverslaggever heeft geschreven. Hij vermoedt een wraakactie van een oude kennis, schilder van beroep, over wie hij ooit in verband met een moordzaak heeft geschreven. Maar op zoek naar deze mogelijke dader, stuit hij op zichzelf, op de manier waarop hij met andere mensen is omgegaan. En hij stuit op Ruth, die deze vroegere kennis bewonderde om zijn talent. Hij begint zich af te vragen of hij gedurende hun tienjarige samenzijn niet blind door het leven is gegaan. Haar zelfmoord komt in een ander licht te staan.

Tot zover – we zijn dan op ongeveer tweederde van het boek – overtuigt Sutters Glück nog wel, maar daarna maakt de ontrafeling van dit huwelijk plaats voor een intrige die ongeloofwaardig en veel te uitgesponnen is. Muschg raakt verstrikt in een kluwen van handelingen en motieven waarin bijfiguren het roer overnemen. De verhouding tussen Sutter en Ruth wordt gereduceerd tot het lijdend voorwerp van een plat detectiveverhaal. Het is allemaal te geconstrueerd en er wordt te veel uitgelegd.

Zo bewijst Muschg in het laatste deel van deze roman helaas opnieuw dat er iets mis is met zijn schrijverschap. Deze auteur, geboren in 1934, heeft sinds zijn succesvolle debuut in 1965 (Im Sommer des Hasen) een zeer omvangrijk oeuvre opgebouwd van romans, verhalenbundels, toneelstukken, hoorspelen, televisieseries en essays. Op z'n beste momenten – bijvoorbeeld in de verhalenbundel uit 1987 Der Turmhahn – is Muschg een heel knap verteller met een scherp psychologisch inzicht. Maar wat hij het beste kan, intieme verhoudingen beschrijven, schijnt hem om de een of andere reden niet meer genoeg te zijn, misschien omdat dit hem het gemakkelijkste afgaat. Ook in de romans Mitgespielt (1969) en Albissers Grund (1971) vlogen er al kogels in het rond. Vooral in zijn romans heeft Muschg de neiging om er een spectaculair thema bij te halen. Hij verkeert kennelijk in de veronderstelling dat hij alles kan, dat onder zijn literaire meesterhand ook een banaal thema tot grote literatuur kan uitgroeien.

In zijn pogingen om boven het psychologische genre uit te stijgen gaat Muschg, die sinds geruime tijd actief is in de linkervleugel van de Zwitserse sociaal-democratie, evenmin opzij voor een portie maatschappij- en cultuurkritiek.

Ook in Sutters Glück is dat het geval: de serene en gedistantieerde verhouding tussen Ruth en Sutter lijkt een contrast te moeten vormen tot de oppervlakkige opdringerigheid van hun omgeving. Maar deze grote gooi blijft te onuitgewerkt om te overtuigen. Muschg manifesteert zich te veel als een poseur die koketteert met modieuze klachten. Al moet gezegd worden dat hij een paar amusante dialogen aan het marktfetisjisme wijdt. Nadat Sutter is neergeschoten maakt de dienstdoende politiefunctionaris hem duidelijk dat Sutter als slachtoffer een oninteressant `product' is. Er is geen wapen en geen motief, zodat de prijs-prestatieverhouding voor de opsporingsautoriteiten hoogst onaantrekkelijk is. Misschien wordt het in de toekomst beter, zo troost de politieman Sutter, als hij en zijn collega's andere geldschieters dan alleen de belastingbetaler weten te vinden: de maffia zou een geschikte sponsor kunnen zijn.

In de slothoofdstukken maakt Muschg weer veel goed met een mooi portret van de ontredderde Sutter, die moeilijk verder kan met de wetenschap dat hij slechts een klein deel van Ruths leven heeft gekend. Dan krijgt het verhaal weer de geheimzinnige diepgang die de eerste delen zo boeiend maakt. Maar wat blijft hangen is toch de teleurstelling over een roman waarin de ijdelheid van de schrijver het heeft gewonnen van zijn grote talent.

Adolf Muschg: Sutters Glück. Suhrkamp Verlag, 335 blz. ƒ45,90

    • Ronald Havenaar