Een begaafd arbeiderskind

Het leven van de ooit razend populaire romanschrijver A.M. de Jong (1888-1943) lijkt zelf wel een roman. Geboren in een straatarm katholiek Brabants arbeidersgezin bracht hij het eerst tot onderwijzer en vervolgens tot journalist en schrijver. Zo succesvol was de geestelijk vader van onder andere Merijntje Gijzen en Bulletje en Bonestaak dat hij ruimschoots van de pen kon leven. Zijn laatste jaren sleet hij in een villa in Blaricum, hij verzamelde kunst, bereed zijn eigen paard en beschikte over een waardevolle bibliotheek. In 1943 kwam er een einde aan deze `success-story'. Twee leden van de Germaanse SS, naar Blaricum gereden door SD-chef Willy Lages, schoten hem in zijn eigen huis dood.

Bijna zestig jaar na deze moord heeft Mels de Jong (1932) de biografie van zijn inmiddels alweer bijna vergeten oom Adriaan gepubliceerd. Hij komt eruit naar voren als het vleesgeworden verheffingsideaal van de vooroorlogse sociaal-democratie. Je zou hem de Brabantse pendant kunnen noemen van het Amsterdamse schoenmakerszoontje Theo Thijssen, die eveneens via kweekschool en SDAP groot maatschappelijk aanzien verwierf.

A.M., zoals Adriaan de Jong in de biografie wordt aangeduid, mocht na de lagere school naar de normaalschool, een kweekschool waarvoor geen MULO vereist was. Het gezin woonde toen al niet meer in zijn geboorteplaats Nieuw Vossemeer op het Brabantse platteland. Zoals zovele werklozen uit die streek had De Jongs vader besloten zijn geluk te zoeken in Rotterdam, waar hij als borstelmaker werk vond in een fabriek. Uiteindelijk streek hij met zijn vrouw en drie zoons neer in Delft. Daar voltooide Adriaan zijn opleiding tot onderwijzer en sloot hij vormende vriendschappen, onder meer met de latere essayist Dirk Coster.

Mensenrechten

Socialist was A.M de Jong al op de lagere school in Rotterdam, waar hij les kreeg van een onderwijzer die in het geheim lid was van de SDAP. `Toen voor het eerst, ik was nog maar een jongen, ontwaakten vage gedachten in mij over ,,mensenrechten' en over uitbuiting van machtelozen', schreef De Jong later in een aan zijn vader opgedragen artikel over de invoering van de achturige werkdag. De manier waarop vader De Jong zich in de fabriek moest afbeulen voor een paar rotcenten had Adriaan geen keus gelaten. `Je ziet, ik moest wel socialist worden, vader, jouw eigen leven was daar borg voor!'

Op de normaalschool werd Adriaans honger naar literatuur manifest en openbaarde zich ook zijn eigen literaire talent. Pas 24 was hij toen zijn eerste boek verscheen, Studies over literatuur, met als ondertitel Mede ten dienste van studerende onderwijzers. Over deze bundel opstellen over onder andere P.C. Hooft en Vondel, schreef de NRC aan het slot van een positieve recensie dat deze onderwijzer iemand is `van niet gewone begaafdheid'. Dat laatste is ongetwijfeld het geval geweest. Zijn eenvoudige afkomst en geringe opleiding hebben hem nooit in de weg gezeten: alles wat De Jong aanpakte, en dat was gezien zijn enorme productie niet weinig, lukte hem ook.

In hetzelfde jaar dat zijn debuut uitkwam werd De Jong lid van de SDAP, wat al snel leidde tot de uitnodiging kronieken over literatuur te gaan schrijven in het partijdagblad Het Volk. Daarnaast leverde hij andere bijdragen, zoals een serie Brabantse dorpsgeschiedenissen, reportageachtige stukken, geschreven onder het pseudoniem Frank van Waes, waaruit al onmiddellijk zijn grote vertellerstalent spreekt. Wat ook uit die stukken blijkt, is dat De Jong een fervent aanhanger was van de spelling Kollewijn, en dus meer van `likken' hield (eerlik, vrolik) dan van van `lijken' (eerlijk, vrolijk), zoals een van de vele spellingsgrapjes in die dagen luidde.

Al dat `gelik' geeft De Jongs stukken iets aanstellerig, zoals hij zelf vermoedelijk ook een beetje aanstellerig was. Niet dat de in hoofdzaak vooral bewonderende biograaf dat opmerkt, maar het blijkt uit de vaak geïrriteerde reacties van tijdgenoten op zijn nogal exuberante levensstijl. Henriette Roland Holst, toch een geestverwante, noemde hem eind jaren twintig een voorbeeld van `die godsgruwelijke parvenu's in de arbeidersbeweging'. Wat ook tegen De Jong pleit is zijn gebrek aan humor. In een recensie van een van zijn eerste romans, De zware weg, uit 1917, schreef A. de Ridder, dat het ondanks de solide vertelkunst `socialistisch bigotterig' was, `zwaar op de hand, met geen greintje ironie in zijn geest, met weinig luchtigheid in zijn hart'.

In mei 1917 werd A.M. de Jong, die inmiddels onderwijzer was in de Amsterdamse Wittenburgerdwarsstraat en in de Transvaalbuurt woonde met vrouw Co en zoon Mels, opgeroepen voor het leger. Anderhalf jaar lang heeft hij over zijn militaire bestaan verslag uitgebracht in Het Volk, in anonieme Notities van een landstormman. De antimilitaristische stukjes over onrechtvaardige superieuren en de absurde militaire discipline, trokken grote aandacht, ook binnen de kazerne. Aanvankelijk werd Jacques de Kadt ervan verdacht de schrijver te zijn, maar na verloop van tijd werd de verdenking tegen De Jong zo ernstig dat hij een zware straf kreeg opgelegd. In zijn cel schreef hij vervolgens toch iedere dag zijn Notitie (hij heeft er 115 gemaakt) die via allerlei sluipwegen hun weg naar Het Volk vonden.

Kunstredacteur

Na de Eerste Wereldoorlog is De Jong maar kort teruggeweest als schoolmeester. In 1919 ruilt hij het klaslokaal in voor de redactielokalen van Het Volk, eerst als redacteur binnenland en vervolgens als kunstredacteur. Invloed heeft hij zich als literair criticus niet verworven, daarvoor miste hij te zeer goede smaak en intuïtie. Zo veroordeelde hij Nijhoffs eerste dichtbundel De wandelaar als `innig belachelik maakwerk', `absoluut, totaliter niks niemendal, nul komma nul, geen bliksem'.

Meer succes heeft hij met het beeldverhaal Bulletje en Bonestaak dat met tekeningen van zijn allerbeste vriend, de illustrator George van Raemdonck vanaf 1922 in Het Volk verschijnt en waarvan ook vele deeltjes in boekvorm zijn uitgekomen. Met deze strip over `twee gezonde Hollandse jongens' blijft De Jong doorgaan, ook als hij in 1925 ontslag neemt bij de krant en zich met zijn vrouw, zoon en dochter vestigt in Brabant, om zich volledig aan de literatuur te wijden. In datzelfde jaar verschijnt zijn roman Het verraad, deel I van de succesvolle Merijntje Gijzen-cyclus, die zich afspeelt in het West-Brabantse landschap van De Jongs jeugd. Hoewel het geen autobiografische romans zijn, heeft het misdienaartje Merijntje duidelijke trekken van de schrijver meegekregen.

Het opvallendst aan deze boeken is dat de dialogen zijn opgetekend in onvervalst Brabants dialect. Met deze streekromans, waarvan er ruim twee miljoen zijn verkocht, is De Jong in goeden doen geraakt. Van Merijntje Gijzen is in de jaren dertig nog een toneelstuk gemaakt, alsmede een film, met De Jong zelf in de rol van dorpspastoor. In 1974 is er nog een twaalfdelige televisieserie gewijd aan de eerste drie delen van Merijntje en tot 1980 bleef De Jong de meest gelezen schrijver van Nederland.

Minachting

Waarom de belangstelling sinds die tijd volledig is weggeëbd en zijn boeken zelfs niet meer worden herdrukt, blijft in het duister gehuld. Biograaf Mels de Jong heeft zich die vraag niet gesteld. Wel besteedt hij uitvoerig aandacht aan de minachting voor het werk van De Jong onder culturele elites. Tot de canon heeft Merijntje Gijzen nooit behoord. Daar hebben de literaire smaakmakers van het interbellum onder aanvoering van Menno ter Braak en Du Perron van meet af aan een stokje voor gestoken. Met name de mannen van Forum hebben de volkse en door een enorme lezersschare aanbeden De Jong altijd met dédain bekeken.

Op het hoogtepunt van zijn roem stierf in februari 1936 De Jongs echtgenote Co Koekebacker en op dat moment valt op hoe weinig aandacht zij in de biografie heeft gekregen. Over de vraag hoe A.M. als echtgenoot en vader was komen we weinig te weten. Zijdelings blijkt dat hij nogal wat buitenechtelijke relaties had, onder meer met een inwonend Duits dienstmeisje.

Het tekort aan informatie over De Jongs privé-leven is niet de belangrijkste kritiek op deze biografie. Wat mij tijdens het lezen nogal eens heeft gestoord is de zichtbare moeite van Mels de Jong met de opbouw van zijn verhaal. Het vertellerstalent van A.M. de Jong contrasteert jammer genoeg met de voortkabbelende vertelstijl van de biograaf, die soms met de talloze feiten en feitjes te weinig raad wist om overlading te voorkomen.

Moord

Dit geldt niet voor de tragische climax, de moord op de romanschrijver. Voor het adembenemende relaas hiervan kon de neef-biograaf putten uit de in 1949 door de ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadiger Lages afgelegde getuigenverklaring. Nog geen jaar na de dood van zijn echtgenote was De Jong, de socialistische levensgenieter met de gouden pen, hertrouwd met de vijftien jaar jongere zangeres Wies Defresne. In 1941 trouwt ook zoon Mels, met een joodse vrouw, die hij met haar gehele familie wil laten `ariseren'. Daartoe is het volgens hem nodig dat vader A.M. de Jong tekent voor de Kultuurkamer, waar hij na lang aarzelen toe besluit.

Onmiddellijk doen geruchten de ronde dat De Jong `fout' geworden zou zijn, wat geenszins het geval was. Integendeel zelfs. De Jong heeft in de oorlog joden geholpen waar hij maar kon, ondanks zijn Blaricumse NSB-buurman die hem voortdurend het leven zuur maakte.

Nadat er op 16 oktober een mislukte aanslag op deze NSB'er was gepleegd door een verzetsgroep waartoe ook de schrijfster Willy Corsari behoorde, besloot de Generallkommisar van de SS, Rauter, tot een zogeheten `Silbertanne'-actie tegen De Jong. Silbertanne was de codenaam voor vergeldingsacties tegen bekende anti-Duitse Nederlanders na aanslagen op NSB'ers en SS'ers. Op 18 oktober 1943 werd hij, 65 jaar oud, door twee Nederlandse SS'ers doodgeschoten. De daders zijn eind 1949 tot levenslang veroordeeld. De een overleed na 13 jaar gevangenschap, de ander werd na eveneens 13 jaar vervroegd in vrijheid gesteld.

Mels de Jong: A.M. de Jong, schrijver. Biografie. Querido, 417 blz. ƒ75,-

    • Elsbeth Etty