Dan Collins vlindert tussen personages

Cannibals, het debuut van Dan Collins, is een boek voor mensen die van vluchtige contacten houden. In 88 korte hoofdstukjes, op titel alfabetisch geordend, worden de levens van een grote groep uiteenlopende personages geschetst. Sommigen zijn wanhopig, anderen meer of minder onprettig gestoord. In ieder geval gaat het met geen van hen echt goed, vooral de vrouwen zijn op alle mogelijke manieren op zoek naar een `opknapbeurt en aandacht'.

Op het eerste gezicht lijkt Cannibals slechts te bestaan uit een reeks losse schetsen en fragmenten, maar langzamerhand kom je steeds meer te weten over de eigenaardigheden van de hoofdpersonen. En eigenaardigheden zijn er in overvloed.

De een raakt opgewonden van hotelkamers, de ander is met een voetballer getrouwd, puur en alleen omdat voetbal het gesprek van de dag is. Ondertussen stellen ze zich allerlei mogelijke existentiële vragen. Eentje houdt zich bezig met de vraag wie schuldig is aan het feit dat ze in een achterlijk gat is geboren: `iemand moet hiervoor de schuld kunnen krijgen. Ik kon kiezen tussen God en mijn moeder. Ik besloot mijn moeder de schuld te geven.'

De snelheid waarmee je de levens van de personages binnenstapt, wordt geëvenaard in de stijl. Sommige hoofdstukjes bestaan uit een gedachtestroom die zonder hoofdletters of interpunctie wordt weergegeven, andere fragmenten worden verteld door een puber.

Zeer knap zijn ook de veelzijdige dialogen waarmee Collins zijn rariteitenkabinet aan personages weet neer te zetten. De gesprekken vormen de voornaamste bron van spanning, die ondanks de chaotische opbouw wel degelijk aanwezig is. De vluchtige contacten zijn beladen, maar zodra er een spoor van romantiek in de lucht hangt, gaat het mis. Dat is natuurlijk treurig voor de personages, maar allerminst voor de lezer.

Dan Collins: Cannibals.

Jonathan Cape, 159 blz. ƒ39,95

    • Toef Jaeger