Aan het einde van de Radioweg

In deze zevende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur belandt Max van Rooy bij een verlaten basiliek op de geplaagde Veluwe: radiozendstation Kootwijk.

Op de dag dat in Kootwijkerbroek kadavers van varkens en kalveren in de bomen hingen, bezocht ik, enige kilometers verderop, radiozendstation Kootwijk.

Bezichtiging van de betonnen basiliek op de Veluwe stond al lang op mijn verlanglijstje. Het voorgenomen bezoek werd urgenter toen eind vorig jaar eigenaar KPN bij de gemeente Apeldoorn een aanvraag indiende om het uit 1923 daterende monumentale bouwwerk te mogen slopen. De oorspronkelijke functie is uit het zendstation verdwenen en de KPN wil bevrijd worden van de onderhoudskosten die jaarlijks meer dan een half miljoen gulden zouden belopen.

De weg ernaartoe is smal en voert door nonchalant gegroepeerd geboomte. Met het oog op het mond- en klauwzeer zijn de paadjes en weggetjes die links en rechts de bossen inlopen met roodwitte rampenlinten afgebakend. Plakkaten op de boomstammen verklaren het bos tot besmet gebied. Toegang verboden. De afsluitingen zien er aandoenlijk uit, hier en daar ronduit knullig. Sommige linten zijn losgeraakt en wapperen vrolijk in de wind. Geen sprake van de grimmigheid die het televisiebeeld voortdurend laat zien. Geen gele grijpmachines met naspartelende koeien in de lucht, geen van top tot teen ingepakte witte mannen met pistolen uit een voorhistorische sciencefictionfilm.

Voordat het laatste stuk van de Radioweg begint, liggen ontsmettingsmatten dwars over het straatdek. Na deze vilten, van vocht verzadigde verkeersdrempels gaat de weg over in een kaarsrechte oprijlaan. Aan de horizon gloort de beloning. Daar wijken de bomen uiteen en rijst de stompe toren van het stationsgebouw omhoog, robuust, sierlijk en raadselachtig.

De kleur van de wolkenlucht erboven varieert van helwit tot goorgrijs en donkerpaars. Daartussen, hemelhoge velden van mediterraan blauw. Later in de middag zal het donkerpaars voor wat verdwaalde sneeuw zorgen met vlokken die niet alleen naar beneden vallen, maar ook weer vrolijk terug naar boven dansen.

Aan de voet van de toren voor de hoofdingang – glazen deuren met koper filigraanwerk in de stijl van de Amsterdamse School – staan vier werkmannen met elkaar te praten. Zij hebben het over het gure weer en over de uitzinnige reacties van de boeren op de maatregelen tegen de epidemie. Een van hen heeft vanmorgen een groep mensen in stille tocht met een groot houten kruis door het dorp zien trekken. Zijn verhaal ontlokt meewarigheid. Was de processie een protest tegen het ruimen van de dieren of eerbetoon aan het lijden van Christus op deze Goede Vrijdag. Of beide. Op het statige bordes van Radio Kootwijk kiest men voor het laatste. 's Avonds wordt de juistheid van de keuze op de televisie bevestigd. In NOVA dient de muziek van de Matthaeüs Passion als achtergrond voor de beelden van de varkensslachting.

De mannen gaan weer aan het werk. Twee van hen verlaten het terrein in een frisgroen KPN-bestelautootje. De andere twee, onder wie de beheerder, verdwijnen naar de ingewanden van het enorme `zendstation voor draadloze telegrafie' om daar verder te gaan met schoonmaken, zoals zij de laatste fase van de algehele ontmanteling van Radio Kootwijk noemen. Over twee weken gaat de beheerder met pensioen. Het geheel uit gewapend beton opgetrokken gevaarte moet dan leeg worden opgeleverd.

In het oerstille landschap van heidevelden, zandverstuivingen en schrale bossen ben ik nu alleen met een van de merkwaardigste gebouwen van Nederland. Nadat ruim twintig jaar geleden de laatste twee zendmasten – elk 220 meter hoog – zijn opgeblazen omdat zij werkloos waren geworden, biedt alleen de geveldecoratie nog houvast bij het gissen naar de aard van het gebouw. Het reliëf boven de hoofdingang verbeeldt heel compact de historische bestemming. De sculptuur draagt in het midden een masker met open mond, als van een overdreven articulerende acteur. Links en rechts van het masker zijn twee luisterende vrouwen afgebeeld met open handpalmen als schelpen achter hun oren. De ene vrouw heeft Aziatische gelaatstrekken, de ander is zichtbaar van Europese origine. Onder de beelden, in gescheiden woorden, Radio Station. De achtergrond van het reliëf bestaat uit een golvenpatroon dat naar de onzichtbare ether verwijst waardoor Holland en Nederlands-Indië sprekend met elkaar verbonden waren.

Het tweede en enig andere decoratieve element bevindt zich in de achtergevel. Midden boven een magistraal boograam dat deze zijde van het gebouw domineert en op een zeppelin-hangar doet lijken, maakt een adelaar met gespreide vleugels zich half los uit het grijze, grofkorrelige beton. Ook deze versiering zou je symbolisch kunnen opvatten; een zendstation reikt door de lucht in vrije vlucht tot aan de andere kant van de aardbol. Maar een adelaar, zó afgebeeld, doet altijd eerst aan Duitsland denken. Een juiste gedachte, zo zal blijken.

Architect Jules M. Luthmann (Amsterdam, 1890) was nog geen dertig toen hij de opdracht kreeg voor de bouw van een zendstation op de zandgronden van Kootwijk. Als jong en ambitieus ontwerper werd hij in 1919 gevraagd om bij de Rijksgebouwendienst te komen werken en wel bij de afdeling Post- en Telegraafdienst. Radio Kootwijk was het eerste project dat hij onder handen kreeg. Men had haast. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Duitse kabel vernietigd waarmee het telegrafisch verkeer tussen Nederland en Nederlands-Indië werd onderhouden. Indië was nu alleen via Britse kabels te bereiken en dat betekende een verbod op het gebruik van codewoorden en het betekende censuur en enorme vertragingen. De roep om een draadloze verbinding met Indië klonk luider en luider. Twee buitenlandse ondernemingen werden in de arm genomen, de Marconi Company en Telefunken. Met het Duitse communicatiebedrijf bestonden al Indische contacten in de Deutsch-Niederländische Telegraphen Gesellschaft. Toen Telefunken na veel politiek geharrewar opdracht kreeg om de techniek te leveren voor het radiostation Malabar bij Bandoeng was ook Kootwijk door het Duitse bedrijf veroverd. Dat verklaart de adelaar in de top van de achtergevel.

De arm van Telefunken reikte ver bij het Nederlandse station. De firma leverde niet alleen machines en apparatuur, maar tekende ook de eerste plattegronden van het zendgebouw, van het omringende terrein met de masten en van het nabijgelegen dorp Radio Kootwijk voor het personeel. Als ontwerper zou Luthmann zich niet tot het hoofdgebouw beperken, ook over het dorp moest hij zich ontfermen, over de arbeiderswoningen, het tehuis voor ongehuwde ambtenaren en over de watertoren.

Al direct in 1919 reisde hij met zijn baas, rijksbouwmeester H.T. Teeuwisse, naar Berlijn om daar in Nauen de toen krachtigste radiozender ter wereld te bezoeken – natuurlijk ook in handen van Telefunken. De kerkachtige monumentaliteit, de opzet van het omsloten voorhof met in het midden de vierkante koelvijver, de plechtige, lage hal die aan een crematorium deed denken, het waren opvallende gelijkenissen tussen het zendstation van Nauen, naar ontwerp van Hermann Muthesius, en Luthmanns creatie in Kootwijk.

Kijk, daar begint het al, het verslavende spel dat `zoek de inspiratiebron' heet. Hoe komt de amper dertigjarige architect aan de vorm en de detaillering van zijn wonderlijke bouwwerk dat figuurlijk, maar ook bijna letterlijk uit de lucht lijkt te zijn gevallen.

Al ruim 75 jaar dwaalt zendstation Kootwijk eenzaam door de architectuurgeschiedenis. Stilistisch hoort het nergens bij. Sommige historici willen het weeskind in vredesnaam bij de Amsterdamse School onderbrengen. Wat het motief hiervoor is? De entreepartij met de versierde hekwerk-deuren, de summiere geveldecoraties en misschien de twee prachtige betegelde en uit kopergroen emaille-beton opgebouwde trappenhuizen. Maar dat is niet genoeg om het massale bouwlichaam bij de Amsterdamse School naar binnen te smokkelen. Wat te denken van het Duits expressionisme van de architecten Peter Behrens, Erich Mendelsohn en Hans Poelzig? De AEG turbinehal van Behrens uit 1909 heeft Luthmann ongetwijfeld bestudeerd toen hij in 1919 in Berlijn was. De Kootwijkse machinehal heeft er inderdaad iets van weg. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog publiceerde Mendelsohn schetsen van gebouwen die in beton en staal waren gedacht. Daaruit bleek dat gebruik van deze materialen resulteerde in een architectuur die constructie, verschijningsvorm en decoratie in een groot organisch geheel samenbrengt. Dat is precies wat het zendstation laat zien. En wie de plastisch gemodelleerde gevels van de gebouwen van Poelzig vergelijkt met de plint met diepe nissen, de scherpe contrasten van licht en schaduw aan weerszijden van de machinehal, zal een blijk van herkenning niet kunnen onderdrukken.

De bronnenreeks is onuitputtelijk. De vorm van de betonnen spanten die het dak van de machinehal schragen, lijkt ontleend aan die van het administratiegebouw dat Walter Gropius ontwierp voor de Werkbundtentoonstelling in 1914. De dakconstructie zèlf zou refereren aan de Jahrhunderthalle in Breslau, in 1913 ontworpen door stadsarchitect Max Berg. We zijn er nog niet. H.P. Berlage heeft Luthmann de vormgeving van de twee monumentale lantaarns bij de toegang tot het voorhof ingefluisterd. Van Willem Kromhout, de architect van het Amsterdamse Americain Hotel, heeft hij de preoccupatie met afgeplatte torens overgenomen omdat deze zo `aangrijpend van karakter' zijn. De invloed van Kromhout moet overigens niet worden gebagatelliseerd. Op de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam kreeg Luthmann les van Kromhout, die er hoofdleraar bouwkunst was. De toren van Radio Kootwijk is ontegenzeggelijk aangrijpend van karakter.

Voordat ik mijn tocht door het interieur begin, krijg ik koffie van de beheerder. Al zestien jaar bestiert M. van Nieuwenhuizen het zendstation. Hij zegt: ,,Mijn droevigste dag was 31 december, 16 uur 27, 1998. Toen stopte Scheveningen Radio, waarmee wij de laatste jaren voor de volle honderd procent onze boterham verdienden. Dan druk je die knop uit en wordt het ineens heel stil. Want vergis je niet. Het was hier altijd een geweldig lawaai. Gezoem, gesis, gesuis, geknetter en de pompgeluiden voor het koelwater. Ineens was het stil. De volgende dag, nieuwjaarsdag, ben ik teruggegaan. IJzige stilte. Je kon een speld horen vallen. Toen kreeg ik het even te kwaad.''

Een rondgang door de basiliek van Kootwijk maakt, net als een wandeling eromheen, duidelijk wat de grootste kracht is van dit gebouw: de radicale symmetrie. De trappenhuizen, de ommegangen aan de lengtezijden van de immense machinehal, de balkons aan de kopse kanten; zet op de middenas van het gebouw een spiegel, snij het gevaarte op deze lijn doormidden en het valt uiteen in twee identieke helften.

Nederland kent niet veel grote, in de natuur vrijstaande gebouwen die, van binnen en van buiten, zo volmaakt klassiek in evenwicht zijn. Zeker geen gebouwen van moderne Nederlandse architectuur die in de eerste drie decennia van de twintigste eeuw zo glorieus gestalte kreeg. Ondanks de symmetrie – welke antimodern heet te zijn – moet Radiostation Kootwijk tot deze avant-garde categorie worden gerekend. Een rationeel en functioneel gebouw dat, ten onrechte, minder aandacht heeft gekregen dan bijvoorbeeld de Van Nellefabriek (1925-1931) van Brinkman en Van der Vlugt, omdat het van zwaar beton is en niet van luchtig staal en glas.

De KPN wil het unieke, eigenzinnige zendstation afbreken. Gelukkig kan en mag dat niet omdat het gebouw op de lijst van rijksmonumenten staat. Een paar jaar geleden zou ik de voorgaande zin nog niet in zo'n optimistische toonzetting hebben opgeschreven. Maar de lijst van voorbeelden, vooral ook van jonge bouwkunst, die door toedoen van Monumentenzorg van de ondergang worden gered, krijgt vertrouwenwekkende vormen. Zo beschouwd begin ik mij in dit land veilig te voelen. Bij sanatorium Zonnestraal (1931, Duiker, Bijvoet, Wiebenga) is het nog niet gelukt, maar de wijze waarop de Van Nellefabriek een nieuwe toekomst heeft gekregen, lijkt voorbeeldig.

Denkend aan een nieuwe bestemming voor het Kootwijkse zendstation, strandde ik in mijn hoofd bij de volmaakt symmetrische villa's van Andrea Palladio (1508-1580) in Noord-Italië, in de Veneto. Eigenlijk is `Luthmann' op de Veluwe een Hollandse `Palladio' uit de twintigste eeuw. Geen fresco's. Geen kostbaar marmer, maar nuchtere tegelvloeren in zorgvuldige, strakke patronen gelegd. De voormalige machinehal, een schitterende, lichte ruimte, zou om een nieuwe bestemming schreeuwen. Waaraan is niet allemaal gedacht. Een operahuis, een museum – de naam van Karel Appel is gevallen – een moskee, een hotel, een meditatiecentrum. Noem maar op. Doe het allemaal niet. Natuurlijk, er kunnen schilderijen hangen of beelden staan. Er kan worden gedanst, muziek gemaakt of toneel gespeeld. Een kleine conferentie behoort tot de mogelijkheden, net als balletlessen aan schoolkinderen. Maar laat de ruimte en de oorspronkelijke architectuur de eerste bestemming zijn. In Italië gaan de meeste eeuwenoude villa's van Palladio op deze wijze door het leven. Als bescheiden lustoorden. Iets dergelijks heeft de Veluwe verdiend. Een zegen dat de Monumentenzorg over ons waakt.

Als ik terugrij zijn de ontsmettingsmatten op de Radioweg verwijderd en schijnt een bleke zon.

Volgende week begeeft H.J.A. Hofland zich in het Holst van Nederland

Discussieer mee in Tegenspraak, www.nrc.nl

    • Max van Rooy