Waterval van bevroren caramel

In het land van de Dogon in Mali ligt de rotsformatie Falaise de Bandiagara. Het Dogonvolk springt van steen tot steen, zonodig met rijwiel op de rug. De allochtone bezoeker heeft meer moeite met de voettocht, maar het uitzicht is adembenemend.

Hij lijkt op de goudkleurige huid van een reuzenolifant of een kubistische versie van Mount Rushmore. Een muur met ouderdomsrimpels of in de tropen verdwaalde fjorden. De vloedgolf aan metaforen is bijna niet te stoppen. Net zo min als de aandrang om bij iedere bocht eerst `Oh!' te roepen en daarna `Dit moet op de foto!' En dat terwijl ik doorgaans geen fotograferend type ben. Maar de rotsformaties in Falaise de Bandiagara roepen de Japanner in mij wakker.

Die gouden gegroefde muur vormt het niet weg te denken decor van onze zesdaagse trektocht door Dogonland. Deze streek in centraal Mali aan de grens met Burkina Faso is het thuisland van de Dogon, een volk van een half miljoen zielen. Ze tellen vijf verschillende clans en bevolken tientallen dorpen in de 150 kilometer lange vallei, in de reisgidsen terecht omschreven als `een van de hoogtepunten van West-Afrika'.

Het klif moet worden bedwongen om iets van het gebied te zien. De onverharde wegen lopen tot Djiguibombo aan de rand van de vallei, daarna zijn er hooguit paden. Bosjes lokale voetgangers gaan ons voor en laten zien hoe het moet. Met zakken rijst op het hoofd en te zwaar beladen muilezels aan de hand springen ze behendig van steen naar steen. Een enkeling die al ploegend door het rulle zand tot aan de rand van de afgrond is gefietst, navigeert moeiteloos over de smalste richels met het rijwiel op de rug.

Ons eigen gestuntel is minder overtuigend. Doorweekt van het zweet en met knikkende knieën volbrengen we de eerste afdaling en bereiken we Teli, het zuidelijkste dorp in de vallei. Onze gids, de twintigjarige Hamadou Napo die het liefst `Papa' wordt genoemd, moet erom lachen. Wanneer het tijd is om te douchen, keren de rollen zich om. Papa blijkt een koukleum, tevergeefs bedelt hij bij de dorpsvrouwen om zijn pompwater op hun houtvuurtjes te mogen verwarmen.

Vanuit de douchecabine vier lemen schouderhoge muurtjes met een losse plank als deur zie ik de rotsformatie in hoog tempo van kleur verschieten. Bij de eerste paar scheppen water die ik over mijn rillende lijf giet, transformeert de laaghangende zon het klif in een waterval van bevroren caramel. Twee minuten later, wanneer de imam zijn schelle oproep tot gebed tegen de wand laat kaatsen, resteert slechts een dreigend donker vlak. De eerste vleermuizen cirkelen om mijn hoofd en de ezels van het dorp beginnen een langdurig balkconcert. Een teken dat de dag voorbij is. Bij gebrek aan elektriciteit rest ons weinig anders dan het nuttigen van een koolhydraatrijke maaltijd en een vroege gang naar onze slaapplaats: een zak gevuld met stro.

De volgende dag geeft Papa ons een rondleiding door het Dogon-dorp. Alle gebouwen zijn opgetrokken uit leem, die aan de rand van het dorp wordt gewonnen uit een diepe kuil. De woonhuizen hebben platte daken waarop pepers en gierst worden gedroogd. De graanschuurtjes, geplaatst op horizontale balken, hebben een strooien puntdak en passen in het stereotype beeld dat ik als kind had van Afrika.

Interessanter zijn de publieke ruimtes. De oude mannen van het dorp verzamelen zich bij het krieken van de dag onder een laag afdak van gestapelde gierststengels, gestut door kunstig besneden houten palen. Vanuit deze positie hebben ze vrij uitzicht op de markt, het sociale epicentrum van elk Afrikaans dorp, en op de iets verderop gelegen moskee. Urenlang kauwend op kolanoten becommentariëren de mannen luidkeels de wereld in het algemeen en de dorpelingen in het bijzonder. Wanneer het routineuze geroddel ontaardt in een meningsverschil, verplaatst de hele stoet zich naar een iets hogerop gelegen afdak met een zo mogelijk nog lager plafond. Hier worden geschillen opgelost, simpelweg door de strijdende partijen bijeen te brengen en niet te laten vertrekken voordat het probleem uit de wereld is. Mocht iemand in woede willen opstaan om een mep uit te delen, dan wordt die agressie voortijdig door het lage plafond gekeerd. Met een bloedserieus gezicht wijst Papa op zijn voorhoofd en tekent met zijn handen een buil van tekenfilmformaat.

In dezelfde overdreven mimiek legt onze gids uit dat de bewoners van de huisjes hoog op het klif erg klein moeten zijn geweest. Hij doelt op de Tellem, een mysterieus volk dat de vallei bewoonde voordat de Dogon in de dertiende eeuw de ruimte opeisten. Wetenschappers denken dat de Tellem pygmeeën waren die later via Niger en Tsjaad in de Centraal-Afrikaanse Republiek belandden. Maar voor de Dogon passen ze in een uitgebreid pantheon aan goden en geesten. De Tellem-huisjes, vaak gebouwd op onmogelijke plekken op het klif, zijn spirituele plekken die je als buitenstaander beter niet alleen kan betreden.

Als je er eenmaal op gaat letten, is de uitgestrekte rotswand bezaaid met hutjes. Op elke wandeling van dorp naar dorp weten we ons bespied door honderden onzichtbare ogen. Het lopen vergt alle aandacht en energie. Direct buiten de smalle strook rotsige bodem aan de voet van het klif, begint namelijk de savanne. En dat betekent fijn wit zand waar je tot je enkels in wegzakt. Het lijkt een strandwandeling waarbij de zee nooit in zicht komt. De niet aflatende Sahelwind, de Harmattan, veegt het dunne laagje vruchtbare aarde van de akkers en gooit het ons spottend in het gezicht. De begroeiing beperkt zich tot houtig struikgewas waar alleen de meest vasthoudende geit iets vanaf weet te knabbelen en de alom aanwezige baobabs.

Deze apenbroodbomen vormen het tweede natuurfenomeen dat mij naar de camera doet grijpen. In het tegenlicht krijgen de takken dramatische vormen. De langwerpige vruchten, die als groteske kerstballen wiegen in de wind, maken de vervreemding compleet. Papa laat een groepje dorpsjongens er een paar plukken en doet voor hoe je ze schilt en eet. De witte vlokachtige structuur smaakt naar zeep, maar we laten ons niet kennen en kauwen stug door. Terwijl ik de flarden baobabvrucht tussen mijn tanden probeer uit te wrikken roep ik om de tweehonderd meter `Oh!' en `Dit moet op de foto!' Eenmaal terug in Nederland blijkt een groot deel van de vakantierolletjes afbeeldingen van stenen en kale takken te bevatten.

    • Edo Dijksterhuis