Tsjilp

,,Mussen!'' Het klinkt triomfantelijk. En inderdaad, in de struiken schuin vóór ons klinkt het getsjilp van een stuk of vier, vijf druk over elkaar heen tuimelende huismussen, in voorjaarsstemming zo te zien. Ik ben met bioloog Floris Brekelmans van het Bureau Stadsnatuur van de gemeente Rotterdam en twee geüniformeerde stadsboswachters, Kees Fransen en Hans Doorn, op safari in het Park aan de Maas. ,,Ze nestelen daar in de klimop'', oppert Fransen, met zijn kin wijzend in de richting van de begroeide muur verderop. ,,Of hier'', wijst Doorn met zijn wenkbrauw naar een begroeide boomstam dichterbij. De drie natuurkenners kijken met hun oren. Overal blijken zich roodborstjes op te houden en boomkruipers, winterkoninkjes, groenlingen, vinken, fitissen en koolmezen, maar ik zie ze niet. De vogels zijn alleen te horen, tenminste voor wie weet hoe ze klinken.

De expeditie door het Park toont dat `de natuur' zich niet alleen buiten de grenzen van de stad manifesteert, maar dat wilde plant- en diersoorten pal bij de voordeur van de stadsmens zijn te vinden. In zijn voorwoord bij het standaardwerk Muurplanten in Rotterdam (1994), betoogt Remko Andeweg dat door de eeuwen heen ,,elke vierkante centimeter van ons land op de schop is genomen en door de mens opnieuw is vormgegeven''. Zijn conclusie is dan ook ,,dat we in Nederland geen natuur meer hebben'' in de zin van ongerepte oervegetatie. Vandaar dus dat Rotterdam sinds drie jaar een bureau Stadsnatuur heeft dat zich bezighoudt met `biotoopkartering' en inventarisatie van soorten. Want, zo staat in een publicatie van het bureau, ,,het feit dat de stad niet populair is onder natuurliefhebbers, is niet gerechtvaardigd''. Er is sprake van ,,onvoldoende kennis van het urbane ecosysteem''.

Die kennis is nu bijvoorbeeld te vinden in een recente Nieuwsbrief van het bureau. Een artikel over voorjaarsbloeiers meldt een opvallend feit: boterbloemen, herderstasjes, ereprijs, Hongaarse raket en andere soorten komen in de hele stad voor, maar Rotterdam-Zuid is aanmerkelijk `groener' dan Noord. Het bureau houdt rekening met een gebrek aan ijver bij de tellende vrijwilligers in Noord, maar concludeert toch dat dit verschil waarschijnlijk samenhangt met een verschil in plantsoenbeheer in beide stadsdelen: er wordt in Noord gewoon meer geschoffeld dan in Zuid. Vervolgonderzoek naar deze hypothese is gaande.

Brekelmans is vooral een plantenman. Hij bukt voortdurend om soorten als klein veldkers of daslook te plukken en ter consumptie aan te bieden. De ene smaakt naar radijs, de ander naar knoflook. ,,Mensen weten vaak niet wat voor eetbaars er allemaal groeit'', betoogt hij. Nou, zegt boswachter Fransen, dat geldt toch niet voor onze allochtone burgers. Turken of Joegoslaven treft de boswachter regelmatig aan in het Kralingse Bos, bezig met het plukken van paardenbloem of zuring. ,,Heerlijk in de salade'', beaamt Brekelmans, die wijst op een vermolmde boom vol gaten van spechten. Een konijn hobbelt loom een bloemperk in. Een Canadese populier blijkt aangetast door een zwam. ,,Een tondelzwam'', preciseert Brekelmans. En hij legt uit dat de fijngewreven zwam vroeger de brandstof leverde voor de tondeldoos, de voorloper van de luciferdoos.

Aan het eind van de route door het park, zijn we vele Vlaamse gaaien, mantelmeeuwen, koeten, waterhoenen, eenden, eksters en kraaien verder. Maar afgezien van dat ene roedeltje aan het begin, zijn er weinig mussen in het park. Zelf had ik langer het gevoel dat minder getjilpt werd in de stad. Maar meer dan een gevoel was dat niet. Hoe meet je nu zoiets vaags als een mussenvermindering? Maar mijn gevoel klopt, bevestigen mijn gidsen. Boswachter Doorn haalt zijn schouders op: ,,Mussen worden minder maar daar staat tegenover dat je nou in Noord gewoon een ijsvogeltje kunt tegenkomen of een lepelaartje.''

Wat moet ik met een lepelaar of een ijsvogel? Ik wil mussen. Veel mussen. Ik zou de mussen missen als ze er niet meer waren. Als zoiets alledaags als de huismus verdwijnt, is dat een wezenlijke verandering van het dagelijkse leven. Ook de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV), die dit jaar honderd jaar bestaat, heeft inmiddels de alarmbel geluid voor de nederigste der vogels: ,,De laatste jaren is het aantal broedparen van de huismus in zowat alle grote steden schrikbarend afgenomen (en niet alleen in Nederland)''. Dat schrijft de vereniging in een brochure en zij roept op tot het tellen van mussen.

Een stad zonder mussen is een naargeestig oord. Net als de lege weilanden op dit moment onwezenlijk zijn. Nederland in tijden van mond- en klauwzeer: het is bijna mei, het gras ligt er vet en grazig bij. En het vee staat op stal. Toch lijkt de besmetting van het economisch ongewenste virus zich onstuitbaar uit te breiden over de hele evenhoevige veestapel. Een landbouwsector staat aan de vooravond van sanering, als de voortekenen niet bedriegen. Een sociale ramp voor alle betrokkenen in die sector dreigt. Maar uiteindelijk zullen de onvermijdelijke consequenties worden opgevangen door de even onvermijdelijke `zorgtrajecten' van de overheid.

Voor het zover is, valt te hopen dat lering wordt getrokken uit deze geheel door de mens zelf gemaakte quasi-crisis. Agrobusinessmanagers hebben economische wetten toegepast op een biologische productie en zo hebben zij het evenwicht verstoord. Boeren moeten weet hebben van de samenhang tussen natuurwetten van evenredigheid en kleinschaligheid, van nuttige gewassen en gezonde teeltwijzen van dieren en planten. Maar hetzelfde geldt voor de burgers, de consumenten, de aanhangers van de `kiloknallers'.

Stadsbiologen zijn een symptoom van de vervreemding van burgers van de natuur. De KNNV beoogde honderd jaar geleden ,,de natuur nader tot de gewoone mensch'' te brengen. Dat is nu, nog meer dan toen, noodzakelijk. We moeten het evenwicht hervinden. We moeten de mussen tellen.

fgv@nrc.nl

    • Frank Vermeulen