Trou Moet Blycken

Wie het land van de Afrikaanse poëzie voor het eerst betreedt ziet meteen een groot bord met de naam Opperman. Vervolgens ontdekt hij meerdere richtingwijzers, nauwelijks minder groot, met daarop opnieuw de naam Opperman. Ze verwijzen naar Opperman-west, Opperman-oost, Opperman-zuid en Opperman-noord. Is hij in een van die gebieden beland, dan ziet hij allerlei nieuwe verwijzingen en richtingborden met namen erop. Allemaal die van Opperman.

Er is in de Afrikaanse poëzie geen ontsnappen aan Opperman. Er wordt geoppermand bij het leven. Geen poëzierecensie of tijdschriftartikel, geen literatuurgeschiedenis of theoretische beschouwing of ze zijn veroppermand. Aan het eind van de jaren tachtig van de twintigste eeuw leek de veroppermanning van de Afrikaanse literatuur totaal, maar tot op de dag van heden wordt er nog hevig door- en nageoppermand.

De lange apartheidsperiode en het ontbreken van een literaire revolutie hebben dit epidemisch dooroppermannen in de kaart gespeeld. Te lang bleef de Afrikaanse poëzie steken in het isolement van gevangenis en laboratorium. Als ze zich vrij had kunnen ontwikkelen had er bijtijds een deoppermannificatie plaats gehad, een ontoppermanning. De oppermania zou kalm zijn uitgewoed waarna er zelfs weer ruimte was ontstaan voor een bescheiden oppermanrevival. Ze zouden Opperman misschien weer hebben leren waarderen. In plaats daarvan zijn ze continu aan het oppermannen gebleven.

Wie aan de universiteiten meeoppermande kreeg een hoge positie en droeg van daaruit bij aan een verdere veroppermanning. Wie per ongeluk iets onoppermans dichtte of beweerde werd onmiddellijk door de Oppermanbrigade opgepakt. Wie vijftien jaar na zijn begrafenis zegt dat Opperman dood is wordt in sommige literaire kringen van Zuid-Afrika vreemd en wantrouwend aangekeken. Er bestaan nog altijd Oppermangemeenten, Oppermandiscipelen en Oppermangoeroes. Zijn naam kreeg in het bewustzijn van het lezerspubliek een goddelijke status. Opperman is een merk, een symbool, een talisman. Geen slechte prestatie voor een stevige drinker.

Dirk Opperman.

Schrijf `Dirk, Afrika' op een enveloppe en de postbode rent naar het kerkhof van Stellenbosch.

Bestaat er leven na Opperman?

Opperman was de ideale overgangsfiguur in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Hij was een man van de synthese en het compromis. Hij laveerde tussen wetenschap en bohème. Als eenling werd hij de officieel erkende criticus van de instituten. Hij koppelde de moderne westerse poëtica aan Afrikaanse content. Hij mixte in zijn gedichten zoeloe-geloof en christendom, mythe en modernisme. Als er in de Afrikaanse poëzie geen Opperman was opgestaan hadden ze hem hoognodig moeten uitvinden.

En omdat er maar één van kon zijn moest hij alles doen. Hij was niet alleen dichter, hij was ook professor en tijdschriftredacteur, recensent en manuscriptenkeurder, de man van het poëzielaboratorium en van het Groot verseboek.

Charisma en vakmanschap, het zit al in zijn naam. De opperman is de eerste der mensen, het opperhoofd, de opperman is ook de handlanger van de metselaar.

Uit dit gedicht blijkt dat Opperman wel gevoelig was voor de dramatische waarde van eigennamen. Koninklijker dan Senzangakona en Dingaan kunnen opperhoofden niet klinken. Bij Taka ga je onmiddellijk in de verdediging.

Als het werk van Opperman verguisd zou zijn en uit het zicht verdwenen en het moest weer worden opgerakeld, dan zou ik dit gedicht zeker tot mijn favorieten rekenen.

Heilige beeste vormt het openingsgedicht van Oppermans gelijknamige debuutbundel (1945). Zo'n positie krijgt vanzelf iets van een geloofsbelijdenis, een signaal. In de kale vorm van een klank- en figuurgedicht wordt hier veel gezegd over wezenlijke en laatste dingen. De dingen die bij dag langs de Taka verdedigd moeten worden en bij nacht in de kraal tussen de parapluboom en de stenen. Geen Afrikaanser boom dan de kiepersol. De Taka is een rivier in Natal, de geboortestreek van de Oppermannen.

Hier evoceert dus een blanke dichter zijn land in zoeloe-termen. Dat was nog nooit zo dwingend gebeurd. De natuur, de namen, de beleving – allemaal afkomstig uit de zoeloe-mythologie en de zoeloe-geschiedenis. Het laatste bezit dat met hand en tand moet worden verdedigd is de geboortegrond waar de hadida (ook al een klanknabootsing, een soort ibis) wacht in de norse, stekelige boom. De steigerende stier en de tochtige koe die het levensonderhoud en de continuïteit garanderen. De dansende krijgers, deel uitmakend van een koninklijke keten. Over

hulle my drie drifte

heeft de dichter het. Driften. De cyclus van aarde, vee en ritueel heeft een sterke seksuele lading. Godsdienst, economie en voortplanting zijn één. Die Groot-Groot-Gees, dat is de god van de zoeloes, de Geest der Geesten. In de omheinde, geïsoleerde en geritualiseerde ruimte van de kraal betekent afhankelijkheid symbiose en krijgen de voorvaders betekenis. In de kraal tussen kiepersol en klip, daar ligt uiteindelijk Zuid-Afrika zelf.

    • Gerrit Komrij