Stilte en geweld even hels

Zaterdag vond in Utrecht de wereldpremière plaats van Cornelis de Bondts Bloed I voor gemengd koor, jongenskoor, vrouwenkwartet, orkest en live-elektronica: een eigentijdse `Matthäus Passion'. Een verpletterende ervaring, zij het meer in meedogenloze zin dan muzikaal meeslepend. Bloed I (radicaler dan het reeds gespeelde Bloed II) is gebaseerd op een wrang lied van Burian, gecomponeerd in het concentratiekamp Neuengamme, waar De Bondts vader verbleef. Het werk stelt ook de relatie vader/zoon aan de orde. Dat lied wordt geënt op een Bachkoraal, wat het werk steeds sterker stigmatiseert.

De bezetting herinnert aan Nono's Auschwitz cantate met ontzielde stemmen, vermorzeld door meedogenloze klanken. Maar De Bondt is hoekiger, hectischer en strenger. Het grote koor plaatst één gigantisch klankgordijn dat zich opent op het voorportaal van de hel, alsof een zondvloed aan geluid de holocaust moet wegspoelen. Het jongenskoor zingt voortdurend forte, maar meestal wordt het zelfs met versterking en al geheel weggezogen in het geweld. Als er tegenstellingen ontbreken in een zachte muziek, zoals bij Satie en Feldman, is dat al vervreemdend genoeg. Maar in een harde muziek is het haast niet te bevatten.

Sofia Goebaidoelina is juist van tegenstellingen uitgegaan, zo bleek bij de wereldpremière van Risonanza. Ze plaatst verschillend gestemde groepen tegenover elkaar. Drie trompetten en drie strijkers staan een kwart toon lager gestemd dan de drie overige strijkers, vier trombones en het orgel. Soms reageren de instrumenten resonerend op elkaar, soms doorkruisen ze de ruimtes `alsof ze niet naar elkaar willen luisteren, een goede metafoor voor onze tijd'.

Het begrip `naar elkaar luisteren' speelt bij Goebaidoelina een grote rol, waarbij de verstilde momenten net zo geladen zijn als de extatische. Het sterke aandeel van het koper en het ook al dominerende orgel herinnert aan het geweld van de Poolse School. Door de apocalyptische hysterie is in dit werk een grotere ruimte voor extravertie en exaltatie dan in het eerst gespeelde Descensio (1981) met zijn geheimzinnig getinkel en verdwaasd dolend contrapunt. Quasi-barokke stijlcitaten brengen naar het eind toe een gewijde sfeer als contrast voor het geweld van koperschreeuwen en orgelclusters.

Wolfgang Rihms nog onvoltooide Abschiedsstücke (1993) zijn mij zelfs te contrastrijk. Aan de voortreffelijke uitvoeringen lag het niet, hoewel sopraan Rosemary Hardy net niet kernachtig genoeg was in deze orkestliederen.

Concert: Radio Symfonie Orkest; 14/4. Radio 4 NPS 4/6.

Concert: Schönberg Ensemble 18/4. Herh: 19/4 Antwerpen; 20/4 Eindhoven.