Privatiseringsregels leiden tot uitverkoop energiesector

De wijze waarop de Tweede Kamer de energiesector wil privatiseren leidt tot een enorme waardevernietiging, meent A. Groenenboom . De politiek heeft zich laten leiden door een overdreven angst voor `Californische toestanden'. Het gevolg is dat er te veel beperkende voorwaarden zijn gesteld.

Provincies en gemeenten hangt een financiële strop van vele miljarden guldens boven het hoofd als gevolg van de motie die de Tweede Kamer op 10 april aannam en die door minister Jorritsma (Economische Zaken) is overgenomen. De motie heeft betrekking op de privatisering van energienetwerken die nu nog in handen zijn van lagere overheden. Vanaf 1 januari 2002 mogen deze netwerken gedeeltelijk en onder beperkende voorwaarden worden verkocht aan private partijen, zo heeft de Tweede Kamer bepaald.

Tot de beperkende voorwaarden behoort een strikte scheiding van juridisch en economisch eigendom. De blote juridische eigendom van de netwerken blijft in handen van de overheid, zodat die in geval van wanbeheer kan ingrijpen. De economische eigendom mag voorlopig slechts voor maximaal 49,9 procent worden verkocht aan private partijen. In de loop van 2004 volgt een evaluatie en een nader besluit over eventuele verdere privatisering.

Dit politieke besluit leidt tot veel onzekerheid over de toekomst van Nederlandse energiebedrijven als Essent, Nuon, Eneco en Remu. En zoals dat bij beursgenoteerde bedrijven het geval is, zal deze onzekerheid zich vertalen in een forse waardedaling voor de betreffende energiebedrijven. Waar eerder nog werd gerekend op een opbrengst van 30 à 40 miljard gulden voor de energiedistributeurs, mag nu hooguit worden gerekend op de helft van dat bedrag.

Deze waardevernietiging wordt veroorzaakt door een overdreven angst voor 'Californische toestanden'. De Tweede Kamer heeft zich hiertegen dubbel willen indekken. Dat is minstens één keer te veel. Het besluit om de juridische eigendom van de netwerken bij de overheid te laten, biedt voldoende garanties tegen misbruik. Immers: bij wanbeheer of onvoldoende investeringen in het net kan de overheid ingrijpen door de vergunning van de betreffende netbeheerder in te trekken. De beperkende voorwaarden met betrekking tot de economische eigendom zijn een vorm van overkill.

De waardevermindering van de energiebedrijven wordt met name veroorzaakt door het ontbreken van uitzicht op volledige privatisering van de netwerken. Een eventuele beursgang levert daardoor minder op. Zouden de betreffende distributiebedrijven zo'n beursgang niettemin doorzetten, dan leidt dat vrijwel zeker tot een uitverkoop aan het buitenland. In Europa, zo wijst recent onderzoek van PricewaterhouseCoopers (Electricité Sans Frontières 2001) uit, maakt een beperkt aantal spelers de dienst uit, zoals het Franse EdF, de Duitse energiereuzen RWE en E.ON, het Zweedse Vattenfall en het Spaanse Endesa. Nederlandse energiebedrijven komen in het verhaal toch al niet voor. En als het aan de Tweede Kamer ligt, zal dat ook helemaal nooit meer het geval zijn. Het is zeer de vraag of politici zich daarvan voldoende rekenschap geven.

De overheid had beter niets kunnen doen dan de privatisering op zo'n halfslachtige wijze vorm te geven. Naar de buitenwereld toe wekken de Kamerleden Crone (PvdA), Voûte-Droste (VVD) en Van Walsem (D66) – de indieners van de motie – de indruk dat ze heel wat voor elkaar hebben gekregen, terwijl ze Nederland in feite tientallen miljarden guldens armer maken en een hele sector op een presenteerblaadje aanbieden aan kapitaalkrachtige buitenlandse energiebedrijven. De keuze voor de betreffende waardedaling zou nog te verklaren zijn geweest als er een voordeel tegenover had gestaan. Maar daarvan is geen sprake. Zo zal uitvoering van de motie bijvoorbeeld niet leiden tot lagere consumentenprijzen.

In het buitenland gaat de strijd om het marktaandeel intussen gewoon door. De kaarten worden nu geschud. Tegen de tijd dat de Tweede Kamer eventueel besluit tot volledige privatisering van de netwerken (op zijn vroegst in 2004) is het pleit beslecht. De buitenlandse concurrenten van Essent, Nuon, Eneco en Remu zijn dan zó groot geworden, dat de Nederlanders erbij in het niet vallen.

Nederland was altijd voorstander van een vrije Europese markt. De belemmerende maatregelen, waartoe de Tweede Kamer op 10 april besloot, zijn daarmee in flagrante tegenspraak. Ze doen geen recht aan de Europese gedachte. De Tweede Kamer had beter een voorbeeld kunnen nemen aan Spanje, Engeland, Duitsland en Scandinavië, waar liberalisering en privatisering hand in hand gaan en inmiddels vrijwel volledig zijn geëffectueerd.

Voor de provincies, de gemeenten, de energiebedrijven en de Nederlandse belastingbetaler is het te hopen dat de minister en de Tweede Kamer alsnog terugkomen op hun beslissing om de deur naar privatisering dubbel te vergrendelen. Een enkele vergrendeling, door het juridische eigendom bij de overheid te laten, volstaat. De privatisering van de netwerkbedrijven én de leveringsbedrijven zou dan vanaf januari 2002 meteen volledig kunnen zijn.

Aad Groenenboom RA, is partner bij PricewaterhouseCoopers.