IJle mist

In 1979 verongelukte Anne Vondeling, de PvdA-politicus en voormalig voorzitter van de Tweede Kamer. In een van de overlijdensadvertenties, ondertekend, als ik het me goed herinner, door het partijbestuur, stonden vier dichtregels. De eerste was Over de heide, door de ijle mist, daarna volgde een regel die ik niet zo mooi vond en al snel vergat, en daarna de slotregels: rinkelt de nacht aan kettingen omlaag/ en klapt het deksel van de wereld dicht. Daaronder: Gerrit Achterberg.

Dat beeld, een deksel dat aan kettingen moet worden opgehesen en dat je dus nooit zelf zal kunnen oplichten als het eenmaal boven je dichtvalt, hechtte zich zonder inspanning in mijn geheugen, of liever: het liet zich er niet meer uit verdrijven. Toen ik later dat jaar voor de geboorte van onze dochter de Verzamelde gedichten van Achterberg kreeg zocht ik urenlang naar het gedicht waar het uitkwam. Niets. Zelfs niets wat erop leek. Wonderlijk, die mensen van het partijbestuur zullen toch niet zelf aan het dichten zijn geslagen en daar Achterberg onder hebben gezet?

Twintig jaar later – dochter alweer het huis uit – zie ik opnieuw een overlijdensadvertentie met die regels. Er zijn twee verschillen: die ene regel die ik was vergeten is nu helemaal weg en het deksel `klapt' niet, maar `gaat' dicht. Opnieuw ondertekend met Gerrit Achterberg. Voor de zekerheid ga ik nog eens door de Verzamelde gedichten. Ook raadpleeg ik de registers van Hazeu's biografie van Achterberg. Maar weer niets. Ik knip de advertentie uit en laat hem een tijdje liggen.

Vorige week heb ik gebeld met de meneer die bij het correspondentieadres was vermeld. Hij stond me vriendelijk te woord, verrast dat iemand twee jaar later nog eens op de advertentie terugkwam. Op mijn vraag hoe ze aan die regels waren gekomen vertelde hij dat de overledene, zijn partner, ooit een overlijdensadvertentie van Anne Vondeling had gezien waarin...

Je zoekt een oplossing en vindt een herhaling van het raadsel. Wat zijn dat voor spookregels die met grote sprongen in de tijd voor even uit de mist opdoemen? Zijn ze wel van Achterberg? En als ze uit een gedicht komen dat niet in de Verzamelde gedichten is opgenomen, zijn ze dan wel van Achterberg in hogere zin? Immers: `Wat niet goed is, is niet geschreven' – die regel is wèl van Achterberg. Als we opnieuw twintig jaar wachten is het deksel boven dit raadsel misschien definitief dichtgeklapt.