Het kastje van moeder is veiliggesteld

Ruim vijftig jaar is er gekibbeld over een nieuwe erfwet. Vanaf 2002 gaat alles naar de partner. De kinderen moeten maar wachten.

WIE HEEFT MEER RECHT op de erfenis, de partner of het nageslacht? Dat is de vraag waarmee de Nederlandse wetgever ruim een halve eeuw heeft geworsteld. En ook nu het antwoord is gegeven, in de vorm van een nieuwe erfwet die bijna twee jaar geleden is aangenomen en in 2002 van kracht wordt, blijft de discussie voortgaan. Voorstanders van de wetsverandering zijn blij dat moeder – veelal de langstlevende partner – niet meer door haar kinderen uit haar huis kan worden gezet. Tegenstanders voorzien doemscenario's waarbij de langstlevende ouder opnieuw trouwt en de volledige erfenis naar de stieffamilie verdwijnt.

In de kern is de herziene erfwet heel eenvoudig: als een man of vrouw overlijdt (de erflater), komt de volledige erfenis in eerste instantie bij de partner terecht. De eventuele kinderen zijn weliswaar ook erfgenaam, maar zij kunnen hun erfdeel pas opeisen als ook de andere ouder is overleden. Het `versterf-erfrecht', zoals het officieel heet, geldt alleen als er geen testament is gemaakt.

Is er wel een testament, dan hoeft de erflater zich van die regels niets aan te trekken en kan hij zijn nalatenschap toebedelen aan wie hij maar wil. Dezelfde partners die in het nieuwe erfrecht zo'n sterke positie krijgen, kunnen bij testament met één pennenstreek onterfd worden, zonder dat ze daartegen iets kunnen doen. Anders dan bij het oude erfrecht, kunnen onterfde partners zich straks echter wel beroepen op het recht op een `passend verzorgingsniveau'. Dat betekent dat ze aanspraak kunnen maken op het vruchtgebruik van de woning en de inboedel, en soms ook recht hebben op bijvoorbeeld de rente van banktegoeden of het dividend van een effectenportefeuille.

Ook eventeel onterfde kinderen kunnen, net als in het bestaande erfrecht, nog wel enige rechten doen gelden: in het huidige stelsel kunnen ze een wettelijk vastgesteld deel van de erfenis (de legitieme portie) opeisen, in het nieuwe stelsel krijgen ze niet meer de status van erfgenaam, maar kunnen ze hoogstens een geldvordering krijgen. Die vordering bedraagt op zijn hoogst de helft van de waarde van hun normale erfdeel.

Tien jaar geleden lag er in de Tweede Kamer een wetsvoorstel waarin de verhoudingen nog volledig waren omgedraaid. In dat voorstel, ingediend door toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin, kregen de kinderen direct hun deel van de erfenis (het kindsdeel), maar kon de langstlevende partner wel tot aan zijn of haar eigen dood het vruchtgebruik hebben van de volledige erfenis. In die opzet werden de kinderen bijvoorbeeld gedeeltelijk eigenaar van het ouderlijk woonhuis, maar kreeg vader of moeder het recht om daar zolang als nodig te blijven wonen. Hirsch Ballin wilde op die manier bewerkstelligen dat – in een periode waarin mensen na het overlijden van de partner vaker hertrouwen – de kinderen uit het eerste huwelijk verzekerd blijven van hun erfenis.

Het wetsvoorstel van de CDA-minister stuitte op ongekend fel verzet van vrijwel alle notarissen in Nederland. De Nijmeegse notaris en hoogleraar M.J.A. van Mourik, die zich ook in de jaren daarvoor al had geprofileerd als fanatiek tegenstander van zo'n vruchtgebruikconstructie, wist op de valreep ook de Tweede Kamer van zijn mening te overtuigen. Van Mourik beriep zich op het feit dat ieder jaar honderdduizenden testamenten werden gemaakt met een zogeheten `ouderlijke boedelverdeling', bedoeld om ervoor te zorgen dat de langstlevende partner eigenaar bleef van alle goederen. Het feit dat zoveel mensen dit per testament regelden, was volgens Van Mourik de afspiegeling van de maatschappelijke behoefte om niet de kinderen, maar de partner de volledige zeggenschap te geven over het bezit.

De opvolgster van Hirsch Ballin, minister Sorgdrager (D66), besloot de zaak heel anders aan te pakken. In maart 1996 stuurde zij een nieuw voorstel naar de Kamer, waarin de voorstellen van Van Mourik integraal waren verwerkt. In het nieuwe erfrecht zou de positie van de partner veel sterker zijn dan die van de kinderen, maar – en dat trok de parlementsleden snel over de streep – kinderen zouden niet alleen een geldvordering krijgen ter waarde van hun erfdeel, maar ook de mogelijkheid om via zogeheten `wilsrechten' bepaalde goederen te claimen. Op die manier zou voorkomen kunnen worden dat, mocht een ouder opnieuw trouwen, een favoriete klok of kast naar de stieffamilie verdwijnt.

Inmiddels zijn we weer vijf jaar verder. De herziening van de erfwet is in 1998 door de Tweede Kamer aangenomen, en een jaar later – met Korthals (VVD) als minister in plaats van Sorgdrager – door de senatoren in de Eerste Kamer. Daarna is het stil geworden. In eerste instantie ging iedereen er vanuit dat het nieuwe erfrecht in het voorjaar van 2000 zou ingaan, maar vervolgens werd die datum steeds opgeschoven. Nu mikt het ministerie van Justitie op 2002. Voordat de nieuwe wet kan ingaan, moet het parlement zich eerst nog buigen over een `bezemwet', waarin verduidelijkingen en technische aanpassingen zijn opgenomen. Ook moet er nog aanpassings- en overgangsrecht worden vastgesteld.

Als de aanpassing van de erfwet eenmaal is doorgevoerd, zal het aantal testamenten sterk kunnen afnemen. Immers, van de circa 300.000 testamenten die jaarlijks in Nederland worden opgemaakt, zijn er ongeveer 200.000 mede bedoeld om de ouderlijke boedelverdeling vast te leggen. Dat is straks niet meer nodig, omdat de langstlevende partner automatisch alles krijgt.

Gelukkig voor de notarissen is met ingang van dit jaar het nieuwe belastingstelsel ingegaan. Dat stelsel, net als het nieuwe erfrecht bedoeld om burgers met minder omslachtige regels te confronteren, blijkt voor een aantal erfconstructies negatieve gevolgen te hebben. Nog werk genoeg dus.

    • Marcella Breedeveld