`Gemeenten en provincies veel rijker dan gedacht'

De vermogenspositie van gemeenten, provincies en waterschappen is ondoorzichtig en het eigen vermogen van de lagere overheden is vaak aanzienlijk groter dan uit de jaarrekeningen blijkt. Dit concluderen onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen in het vandaag verschenen rapport `Decentrale overheden in Balans?'

Het Groningse onderzoeksinstituut COELO onderzocht de jaarrekening van alle 538 gemeenten, twaalf provincies en 56 waterschappen. Ondanks de toegenomen publieke belangstelling als gevolg van de verkoop van nutsbedrijven bestaat er nog veel onduidelijkheid, zo blijkt. Dat geldt volgens de onderzoekers niet alleen voor de regelgeving ten aanzien van financiële rapportage waaraan gemeenten, provincies en waterschappen moeten voldoen maar ook voor de omvang van de betrokken geldstromen. Volgens onderzoeker E. Gerritsen zijn de voorschriften voor financiële rapportage misschien nog wel in orde, maar zou vooral de uitvoering strikter gehanteerd moeten worden. ,,Zowel de rijksoverheid als betrokken medeoverheden hebben te weinig inzicht in de herkomst en de besteding van gelden, en in wat met die gelden beoogd wordt'', stelt het rapport. Zo is niet bekend welke gemeenten welke uitkeringen ontvangen. Onder meer de Algemene Rekenkamer heeft eerder geprobeerd deze gegevens te achterhalen maar die poging mislukte.

Vooral als gemeenten aandelen hebben in nutsbedrijven, is onduidelijk hoe groot het eigen vermogen is omdat aandelen vaak tegen de aankoopprijs in de boeken zijn opgenomen. Als voorbeeld noemen de onderzoekers de verkoop van aandelen Bouwfonds aan ABN Amro in 2000, die voor een fractie van het betaalde bedrag in de boeken stonden. De totale boekwinst voor de gemeenten bedroeg 2,7 miljard gulden. Uit het rapport blijkt dat het gezamenlijk vermogen van gemeenten eind 1999 zo'n 40 miljard gulden bedroeg, circa 2.500 gulden eigen vermogen per inwoner. In 1995 was dat nog 26,6 miljard gulden.