Een ronde zonder tongblaar

Ondanks de MKZ-epidemie valt er nog volop te recreëren in Nederland. Fietsen tussen Waal en Maas bijvoorbeeld.

Aan de ene kant van de dijk strekt zich de watervlakte van de Waal uit, aan de andere kant drommen huizen samen rond de kerktorens. Hoe hoog het water heeft gestaan, valt af te lezen aan de `vloedrand' van riet en boomtakken op de dijk en aan de lichte zoom in de takken van halfverdronken wilgen. In de overstroomde uiterwaarden en in binnendijkse kolken dobberen ganzen, kuifeenden, futen en enkele zwarte zwanen.

Als fietsrecreant kun je op de Nijmeegse Waalkade twee kanten uit: oostwaarts naar de Ooijpolder of westwaarts naar het Land van Maas en Waal. De afslag naar de Ooij is verleidelijk. Je komt er in een oer-Hollands landschap dat aan de basis staat van een streekroman als `Het wassende water' en een dichtregel als `Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan'. De bandijk voert je langs weiden en watervlakten, waaruit knotwilgen en populieren oprijzen, langs steenfabrieken en waterbossen en door plaatsjes als Persingen en Kekerdom.

De Ooijpolder en de Gelderse Poort – de plek waar de Rijn Nederland binnenkomt – zijn paradepaardjes van de natuurbeschermers; Waal en Nederrijn moeten hier weer als vanouds hun gang gaan en door een ongetemde wildernis gaan stromen.

Omdat we de Ooijpolder al vaker verkend hebben, kiezen we voor het andere traject. We volgen een deel van de (gemarkeerde) `Tweestromenlandroute', die veel aandacht aan het culturele erfgoed besteedt. Onder Tweestromenland blijkt het oude Rijk van Nijmegen schuil te gaan; het beeld wordt er bepaald door stuwwallen, brede stromen, uiterwaarden, dijken en kommen. Een ander fietsrondje, de (ongemarkeerde) `Wijchense plattelandsroute', legt de nadruk op de land- en tuinbouw in het rivierengebied; helaas voert zij aan de oostkant door de Hatertse Vennen, die wegens MKZ zijn afgesloten.

Bij de stoompluim van de elektriciteitscentrale en de sluizen van Weurt klimmen wij de dijk op. Wandelaars op het `Streekpad Nijmegen' volgen dezelfde weg. Het aantrekkelijke van dit pad is dat het zowel door de Ooijpolder als door het Tweestromenland gaat. Maar in deze tijden van tongblaar kun je beter geen wandelaar zijn. Want zodra het pad een beschermd natuurterrein induikt, roept een rood-wit lint de voetganger een halt toe. Zelfs als er in geen velden of wegen een Schotse Hooglander of schaapskudde te bekennen is.

Onderaan de dijk probeert Weurt zich voor de centrale en het aangrenzende industriegebied te verstoppen. Even voorbij de steile neogotische kerk ligt de Duivelswaai (een waai is een door een dijkbreuk ontstane kolk); volgens de overlevering is deze Waalwaai diep genoeg om er de kerk in te laten verdwijnen. Met hun pijpen maken steenfabrieken geen geheim van hun aanwezigheid. In de wazige verte verheft zich nog een andere pijp, een witte – die hoort bij een vierkante doos, de inmiddels gesloten kerncentrale van Dodewaard.

We verlaten de dijk en komen door Beuningen en Ewijk. De dorpen liggen op een stroomrug die al duizenden jaren bewoond wordt. Hier bevinden zich burchten, kloosters en hofsteden. Van het roemruchte slot Blanckenburgh in Beuningen rest nog slechts een torentje. Doddendael, een ander slot, bij Ewijk, lijkt op een versterkte boerderij; de naaste omgeving is voor het publiek afgesloten.

Wij trappen haastig onder het eeuwig brommende verkeerslint van de A50 door. Een enorme watermassa kabbelt om stroken verdronken grasland en bomenrijen heen. Het lijkt wel of er in de uiterwaarden nog een tweede rivier stroomt.

Door het vlakke polderland sturen wij aan op de bosrand van Bergharen. Achter een slanke molen verbergt zich een openbare bidplaats; de woorden `Ave Maria' op een moderne kapel verwijzen naar vroegere tijden, toen Bergharen bekendstond als pelgrimsplaats. Buiten het dorp staan bij fruittelers en boomkwekers borden die iets vertellen over deze vorm van intensieve landbouw. `Roofmijten en valken helpen de boer bij het bestrijden van ongedierte', is een zin die blijft hangen.

Eindelijk naderen wij Batenburg, een dorp van witgesausde boerenhuizen en de resten van een kasteel. Mijn gidsboekje brengt niet alleen de namen van Alva en prins Maurits in verband met het kasteel, maar ook die van Faust. De eersten belegerden de burcht, de laatste zat er gevangen. De kroniek van de heren van Batenburg is een droevigstemmend verhaal over moord en doodslag en in de knop gebroken levens.

In de plaatselijke uitbaterij `De viersprong' wordt verder geen aandacht aan deze illustere heren geschonken. Wel hangt er een bord aan de muur waarop de prijzen van het oude veer over de Maas worden vermeld:

1 Mensch - 1 stuijver

3 Menschen - 2 1/2 stuijver

1 Paerd - 7 cent

1 Koeij of Stier - 6 cent

1 Kint of Oude - 4 cent

We kronkelen een eindje met de Maas mee. Daarna daalt het pad weer af naar het laagland. Hernen bezit eveneens een kasteel dat gelukkig door Alva en Maurits over het hoofd is gezien. Opnieuw duiken we onder de A50 door. Via Leur en Woezik schampen wij de buitenkant van het immer uitdijende Wijchen. Beuningen ligt alweer onder handbereik. Nog een steil klimmetje en dan zijn we terug op de Waaldijk.

Het stemt tot grote tevredenheid dat elektriciteitscentrale noch Duivelswaai noch steenfabriek noch A50 noch kerncentrale noch tongblaar noch pelgrims noch Alva noch de witte schimmel van Beuningen en Wijchen noch een lekke band erin geslaagd zijn ons van de voltooiing van dit fietsrondje af te houden.

    • Gerrit Jan Zwier