De `waarheid' verdeelt China en het Westen

Aan het eind van zijn correspondentschap in China vraagt Floris-Jan van Luyn zich af of de ergernis van Chinese leiders over de `onevenwichtige' verslaggeving van buitenlandse journalisten terecht is. Anders dan de Chinese regering meent, zijn journalisten geen diplomaten, meent hij.

De ambiance was een goed restaurant langs de Avenue van de Eeuwige Vrede, op tafel stond genoeg pekingeend om een hele Chinese schoolklas mee te voeden. De sfeer was aangenaam en ontspannen. Maar de boodschap werd beleefd doch dringend gebracht: zet China positief in de krant – alstublieft. De man van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken wond er geen doekjes om. ,,Journalisten zijn diplomaten, zij bemiddelen tussen volk en vaderland.''

Het doel van het traditionele welkomstmaal was duidelijk; de nieuwe correspondent van NRC Handelsblad moest er bij voorbaat van doordrongen worden dat China de buik vol had van buitenlandse journalisten die de vloer aanveegden met de Volksrepubliek. Proost!

Nog diezelfde winter werd een Duitse journalist het land uitgezet. De Chinese autoriteiten rekenden met hem af omdat hij ,,de Duitse publieke opinie negatief [had] beïnvloed met zijn kwetsende publiciteit over China''. De journalist had gewaagd Li Peng, de toenmalige premier, voorafgaand aan zijn bezoek aan Duitsland in 1994, af te schilderen als een dictator en hem te kritiseren voor zijn rol tijdens de gewelddadige onderdrukking van het studentenprotest in het voorjaar van 1989. De rotte eieren die Li in München naar zijn hoofd had gekregen, kwamen direct op het conto van de Duitse verslaggever.

Volgens China's politieke leiders maken buitenlandse journalisten, en met name de Amerikaanse en Europese pers, zich schuldig aan structurele laster. Waarom worden Chinese politici toch te pas en te onpas doorgezaagd door hun buitenlandse gesprekspartners over kwesties als Tibet, de status van Taiwan, politieke dissidenten, de rechten van de mens en recentelijk de verboden geloofsbeweging Falun Gong? ,,De belangrijkste reden waarom het beeld van China in het buitenland zo ver af staat van de werkelijkheid, is de berichtgeving van onverantwoordelijke journalisten'', aldus een Chinese journalist op de opiniepagina van een landelijk dagblad.

Het zit de Chinese regering steeds meer dwars. In 1997, voorafgaand aan het bezoek van president Jiang Zemin aan de Verenigde Staten, vroeg een Chinese topfunctionaris tijdens een eenmalige ontmoeting met de in Peking residerende Amerikaanse correspondenten of zij ook eens wat positiefs zouden kunnen schrijven over China. Het was een ongewoon openhartig initiatief van een vertrouweling van Jiang – zijn naam mocht niet genoemd worden – die op deze manier had gehoopt het anti-Chinese klimaat in de VS enigszins bij te stellen. ,,Het enige wat er mis is met China's reputatie in de Verenigde Staten, is dat de Amerikaanse media niets schijnen te kunnen vinden wat goed is aan ons land'', zei de functionaris.

Na bijna zes jaar correspondentschap in China vraag ik mij af in hoeverre de Chinese critici gelijk hebben. Waarom niet eens de ergernis der mandarijnen doorgrond?

China-correspondenten richten zich uitsluitend op het `grote onrecht', zeggen de Chinezen. Maar waarom wordt er nu nooit eens iets geschreven over ,,de grote stappen [die] voorwaarts'' zijn gemaakt? Zo hebben wij volgens de Chinese kritieken zelden oog voor de miljoenen Chinezen die zijn bevrijd van honger en armoede. En realiseren wij ons ooit wat het betekent om 1,2 miljard mensen een dak boven het hoofd te bieden? Of we daar niet eens aandacht aan willen schenken.

In het Westen heeft de pers een andere functie dan in China. En dat is natuurlijk de basis van China's kritiek op de Westerse pers. In China zijn journalisten `propagandawerkers'. Het Volksblad noemt zich niet voor niets ,,de tong en de strot van de partij''. Jiang Zemin haalt Stalin aan wanneer hij zegt dat journalisten ,,ingenieurs van de ziel'' zijn. Die schrijven niet om zo breed mogelijk informatie te verstrekken, welnee ,,zij sturen vastberaden de publieke opinie''. En daarvoor zijn vastberaden leiders nodig, met vastberaden ideeën. ,,De correcte politieke plaatsbepaling is een kwestie van leven en dood'', zegt Jiang met het nodige gevoel voor zelfbehoud. De journalistiek in China is een ernstige zaak. Vandaar dat zo weinig Chinese journalisten `de waarheid' durven te schrijven.

Peking beschuldigt Westerse journalisten ervan met twee maten te meten. ,,Terwijl zij anderen aanvallen, praten ze problemen in hun eigen landen goed, of ze negeren ze gewoon'', schrijft een Chinese diplomaat. China pareert de kritische berichten door het buitenland een koekje van eigen deeg te geven. Althans, zo ziet men dat in Peking. Chinese nieuwsmakers citeren steeds vaker en vrijelijk uit buitenlandse kranten. Ze vissen er het een na het andere bericht uit op over kwalijke zaken als wapenbezit, jeugdcriminaliteit, discriminatie of het `onderklasseprobleem'.

Maar alle kritiek, zelfs als die terecht is, slaat dood door een structurele zwakte in de Chinese repliek, die door de Amerikaanse krant The Washington Post onlangs als volgt werd verwoord: ,,Die problemen [in de VS] zijn waar en betreurenswaardig. Maar zodra Chinese staatsburgers openlijk kond mogen doen van hun eigen betreurenswaardige problemen, dan krijgt de kritiek van de Chinese regering op anderen, meer betekenis.''

De Chinese regering vindt de berichtgeving over China in het buitenland onevenwichtig. Maar buitenlandse journalisten worden op veel manieren beperkt in het vergaren van dat ,,evenwichtige nieuws''. Neem de berichtgeving over de Falun Gong. Volgens Chinese kritieken begrijpen de meeste correspondenten er helemaal niets van. De buitenlandse pers zou meer aandacht moeten besteden aan de officiële informatie over de kwestie. Journalisten zouden geen oog hebben voor de bewijzen die ,,het boosaardige karakter'' van de beweging zouden aantonen.

Maar, schrijft een Amerikaanse journalist in reactie op dat verwijt, ,,wij begrijpen dat de zaak meer kanten heeft, en we doen ons best evenwichtig te zijn, maar het is lastig om de aard van het probleem te bepalen wanneer het zo moeilijk is het probleem [de Falun Gong] te benaderen''. Immers, de Chinese autoriteiten regelen alle contact tussen de buitenlandse pers en het Chinese publiek, vooral als het gevoelig kwesties betreft, en ontmoetingen met leden van de Falun Gong worden volledig onmogelijk gemaakt.

Hoewel de Westerse wereld weinig waarde placht te hechten aan het advies en de kritiek van autoritaire regimes, en Chinese politici geenszins de bewaarders van de waarheid kunnen worden genoemd, heeft de Chinese regering af en toe wel degelijk gelijk.

Westerse artikelen over China leren dat sommige correspondenten hun uitspraken over `de Chinezen' baseren op een minimum aan personen en informatie. Dat doen ze meestal omdat de Chinese overheid hen structureel belemmert in het vinden van meer mensen en gegevens, maar dat is niet de enige reden. Veel correspondenten zijn het gevecht met de autoriteiten moe en lijken bij voorbaat op te geven.

Soms zijn het ook de redacties die met de waarheid aan de haal gaan. Een collega van een groot Amerikaans tijdschrijft werd naar aanleiding van een verhaal over China-getrouwe Oeigoeren in het opstandige westen van het land door zijn redactie in Washington gevraagd de tegenstellingen tussen de `goede' en de `kwade' krachten duidelijker neer te zetten. ,,De lezer raakt in verwarring door je nuances'', luidde het commentaar. De journalist herschreef zijn stuk onder protest. Dat China in de buitenlandse media regelmatig in zwart-wit wordt neergezet, is voor niemand die het nieuws over het land volgt een geheim. Was de aanwezigheid van een Amerikaans spionagevliegtuig, dicht langs de Chinese kust wel zo vanzelfsprekend als de Amerikaans media het hebben gebracht, of hebben de Chinezen (die hun regering niet per definitie steunen) misschien gelijk wanneer ze zich ergeren aan de activiteit van een grote mogendheid die het liefste zou willen bepalen wat goed voor China is.

Ook in Westerse kringen groeit de kritiek op de `anti-Chinese berichtgeving' van ons correspondenten. Meestal blijkt die afkomstig van diplomaten en zakenlieden die, werkzaam in China, hoe langer hoe meer op elkaar zijn gaan lijken. Westerse diplomaten en zakenlieden hebben ontdekt hoe lucratief een dialoog is en vinden directe kritiek niet langer effectief. ,,In gesprek zijn'', praten ze hun Chinese gastheren na, ,,is beter dan openlijke kritiek.'' Wij correspondenten beogen beide; praten en kritisch zijn. En als het even kan gebeurt dat met gevoel voor nuance. Daarom zijn journalisten ook geen diplomaten, al ruikt de eend naar honing.

Floris-Jan van Luyn was correspondent van NRC Handelsblad in China sinds 1995

    • Floris-Jan van Luyn