De tweede Gouden Eeuw komt eraan

Nederland wordt weer een land van renteniers. Er is 2.000 miljard gespaard, en daar komen de eigen woningen nog bij. Wat gaan de erfgenamen straks doen?

VIJFTIEN JAAR GELEDEN kocht hij zijn eerste huis. Amper dertig jaar oud, met een modaal salaris, moest hij krom liggen voor een lineaire hypotheek. Een constructie waarom hij nu zou worden uitgelachen. Inmiddels verdient hij, ruim twintig jaar bij dezelfde baas, het dubbele. Maar zijn eigen huis zou hij niet meer kunnen kopen. Deze hyperinflatie zou hij alleen het hoofd kunnen bieden door advies te vragen aan grootverdiener Cor Boonstra. Dat is echter niet nodig. Zijn ouders hebben in de jaren vijftig met de aanschaf van hun huis een nog grotere vis binnengehaald.

Nederland kampt met een luxueus dilemma. Zestien miljoen burgers hebben meer dan 2.000 miljard gulden opzij gezet – exclusief de waarde van hun huis, dat inmiddels in 50 procent van de gevallen eigen bezit is. De helft van dit bedrag is opgeborgen bij pensioenfondsen, dezelfde pensioenfondsen die in 1960 een armzalige 17 miljard gulden onder handen hadden. De komende twintig jaar komt een deel van deze twee biljoen plus onroerend goed los. We leven in een tweede Gouden Eeuw, zeggen optimisten daarom. Dat klinkt fijn. Maar wat gaat er gebeuren? Niemand weet het. Er zijn alleen historische parallellen. Onder meer met die eerste Gouden Eeuw.

Begin 18de eeuw was Holland een voorbeeld voor de wereld. ,,In dit land is alles nieuw'', aldus de Franse priester Sartre in 1719. Een paar decennia later dacht zijn landgenoot Voltaire er al anders over: ,,Canaux, canards, canaille.'' Hij had gelijk. Sartre was nog niet vertrokken, of het Hollandse kapitaal, geaccumuleerd in de Gouden Eeuw, pakte zijn biezen. Het vluchtte naar het buitenland. Daar waren de risico's groter, maar de rente en rentabiliteit compenseerde dit ruimschoots. De gemiddelde regent in Leiden leefde volgens de Britse historicus Jonathan Israel medio 18de eeuw van staatsobligaties (50 procent), een effectenportefeuille met aandelen en buitenlandse beleggingen (25 procent) en wat onroerend goed (12 procent).

De gevolgen van die kapitaalvlucht waren niet gering. Holland onstedelijkte. Amsterdam bijvoorbeeld viel terug van 222.000 inwoners in 1720 tot 180.000 in 1815. Leiden halveerde van 65.000 tot 28.000. En tot overmaat van ramp ging deze gestage neergang gepaard met `acts of God' tegen bijvoorbeeld de boeren. Vooral tussen 1744 en 1765 werd de veestapel gedecimeerd door epidemieën.

In zijn standaardwerk The Dutch Republic schrijft Israel: ,,De Hollandse maatschappij van de 18de eeuw was een maatschappij gedomineerd door renteniers.'' Niet alleen regenten en edellieden, maar ook de afstammelingen van kooplui en ambachtelijke ondernemers hadden de arbeid afgezworen. ,,De meeste rijken in de republiek waren mensen die geen actieve rol speelden in de economie.'' Zij leefden in elegante villa's buiten of in grachtenpanden. Ze hadden koks, dienstbodes, koetsiers en tuinlieden in dienst en betaalden die uit de opbrengst van hun obligaties of hun koloniale effecten dan wel vanuit hun investeringen in buitenlandse beleggingsfondsen. Behalve de sloven in de dienstensector profiteerden maar weinig werkenden van deze `globalisering' avant-la-lettre. Jan Salie zou Holland spreekwoordelijk gaan beheersen.

De overeenkomsten zijn te mooi om waar te zijn. Ook nu kiest kapitaal het hazenpad naar lucratievere buitenlanden, ook nu suburbaniseert Nederland gestaag, ook nu voltrekt zich een curieuze vorm van denivellering die haaks lijkt te staan op de economische groei.

Dat heeft veel te maken met de globalisering. De daarmee gepaard gaande deïndustrialisatie van Nederland heeft tot gevolg dat de inkomens uit kapitaal hier zijn gestegen ten opzichte van arbeidsinkomens. En wel van een miezerige 4,4 procent in 1981, via een topscore van 18,8 procent in 1990 naar 17,0 procent dit jaar. Dit is geen belegen ideologische waarneming – in de Sovjet-Unie was het kapitaalinkomen officieel nul – het is belangrijker.

De Nederlandse socioloog Nico Wilterdink heeft dat al in 1993 in zijn oratie voor de Norbert Elias-leerstoel vastgesteld. ,,Het gaat om een trendbreuk, een `structurele' omslag in de ontwikkeling van de Westerse samenlevingen.'' De kern van dit keerpunt is de verandering in de afhankelijkheidsrelaties tussen mensen. In de industriële natie waren de hogere klassen min of meer afhankelijk van de lagere. Werknemers moesten geschoold, gedisciplineerd, gemotiveerd en betaald worden omdat anders de productie zou stagneren, aldus Wilterdink. In de postindustriële wereld zijn arbeiders echter minder belangrijk: voor jou tien anderen, desnoods in den vreemde.

Zal deze wende zich stabiliseren als de erfenissen successievelijk vrijkomen? Zullen de executeurs-testamentair van onze ouders straks ook het aantrekkelijke onzekere voor het saaie zekere kiezen? Het is een raadsel.

Het pessimistische scenario is simpel. Nu de kapitaalinkomensquote volgens het Centraal Planbureau op bijna 20 procent zit, kan zich een renteniersmentaliteit nestelen. Wie rijker wil worden of blijven, hoeft zijn energie niet per se te steken in uitvindingen of investeringen die de arbeidsproductiviteit in eigen land verhogen. Het kan ook zorgelozer. Arbeid is niet meer per definitie de basis van inkomen. Geld kun je ook bij elkaar sprokkelen vanuit een boerenhoeve in Frankrijk, mits je een buitenlijntje voor de computer hebt. Niet-werken is niet alleen leuk, niet-werken is ook chic. Box 3 van de Belastingdienst bevestigt ons in het idee dat arbeid weliswaar een deugd blijft, maar dat ledigheid niet meer des duivels oorkussen is.

Met andere woorden: het cliché `de rijken worden rijker, de armen worden armer' bezit een kern van waarheid en moet hooguit worden geamendeerd tot het subtielere `de rijken blijven rijk'. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft dat in augustus vorig jaar nog eens vastgesteld. Volgens het CBS is er enige mobiliteit van laag naar hoog en omgekeerd – Nederland is geen hermetisch gesloten standenmaatschappij – maar statistisch gezien klopt er toch iets niet. ,,Voor de laagste inkomensklasse gaat de zegswijze `wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje' in sterke mate op'', aldus CBS-medewerker Frank Cörvers. Aan de top hoeven de kinderen evenmin overdreven bang te zijn hun vaders geld naar de bliksem te helpen. De enigen die nog lekker in beweging zijn, zijn de erfgenamen van de middengroepen.

Wordt het tijd om Das Kapital af te stoffen? Dat kan nooit kwaad, maar het hoeft niet. Want ook een renteniersmaatschappij loopt vroeg of laat op de klippen. De eerste tekenen manifesteren zich al. De publieke moraal bijvoorbeeld krijgt in het dal langzaam weer wat kleur op de wangen.

De zorg en belangstelling voor onderwijs is daarvan een voorbode. Op dit moment kan een eerste naoorlogse rentenier de juf of meester van zijn lief tienjarig ettertje, voor wie het woord `trut' vanzelfsprekend is, op school het leven ombarmhartig zuur maken. Zulke ouders wanen zich heilig en worden daarin bevestigd door de bovenmeester die bang is voor zijn public relations.

Maar over tien jaar kunnen de machtsverhoudingen anders liggen. Zo ja, dan dient zich een roziger scenario aan. De nieuwe renteniers zijn demografisch de baas. Maar ook renteniers hebben onderwijzers nodig die hun kinderen helpen opvoeden in plaats van naar de mond te praten. Ook renteniers willen het publieke domein buiten hun huiselijke vesting niet volledig privatiseren. Kortom, ook renteniers zijn bang. Juist omdat deze nieuwe renteniers straks alle tijd van de wereld hebben, kunnen ze zich weer met die wereld gaan bemoeien. Als dit waar wordt, zal de geërfde financiële onafhankelijkheid niet tot minder maar tot méér engagement leiden.

    • Hubert Smeets