De grote concentratie op het niets

Hedendaagse kunst uit Japan komt ons vaak bekend en vertrouwd voor, terwijl zij ons in feite volkomen vreemd is. Veel Japanse kunstenaars hanteren een beeldende taal die aan minimal art doet denken, ze maken installaties, ze houden performances, en wij kijken daar (uiteraard) met westerse ogen naar. Maar deze kunst komt voort uit een andere, oosterse belevingswereld en sluit aan bij oosterse beeldende tradities.

Bijvoorbeeld het werk van Ufan Lee (1936). In het Kröller-Müller Museum exposeert hij schilderijen die bestaan uit één, of twee, kwaststreken. Een brede kwast met grijze verf drukte hij uit op het witte linnen, zodat een min of meer vierkant kleurvlak ontstond. Exact zoals de minimalist Niele Toroni dat doet. Ook legde Ufan Lee een grote zwerfkei voor een zwarte stalen plaat. Dit is raar, want een ware minimalist beperkt zich tot één ding, in dit geval een vierkante kwaststreek. Met verf schilder je en met een kei maak je een sculptuur, en dat zijn in onze kunstopvatting twee verschillende zaken. Niet voor Ufan Lee, voor hem is er geen onderscheid. De verf verhoudt zich tot het doek zoals de kei zich verhoudt tot de plaat. Wanneer je dit ziet verandert het beeld op een subtiele manier. Er komt ruimte (absoluut verboden in minimal art), er is een nabij en veraf, en er is een levende spanning tussen het ene en het andere element. De kei en de kwaststreek belichamen een bewustzijn, een moment, tegenover het onbegrensde en tijdloze. Dit is mogelijk door de grote concentratie en het precieze gevoel voor verhoudingen in het werk.

Ufan Lee is de grondlegger van `Mono-ha', de `dingschool', een groep kunstenaars die in de jaren zestig en zeventig binnen de verwesterde Japanse cultuur zochten naar een nieuwe, authentieke Japanse kunst. Zij plaatsten `dingen', liefst in hun ruwe, onbeperkte toestand, bij elkaar, of tegenover elkaar als vorm van confrontatie. Zij wilden op een intuïtieve manier de ervaring van het oorspronkelijke oproepen en van de natuur, die zij beschouwen als onderdeel en symbool van een oneindig universum.

Ter gelegenheid van zijn afscheid als adjunct-directeur van het Kröller-Müller Museum maakte Jaap Bremer een tentoonstelling van hedendaagse kunst uit Japan van 1980 tot heden. Hij selecteerde 19 kunstenaars van wie Ufan Lee de oudste is; de jongste, Tabaimo, is geboren in 1975. Het is een mooie, ruim opgezette tentoonstelling, waarbij de aandacht nu eens niet eenzijdig gericht is op de recente verschijnselen in de Japanse kunst die momenteel in het Westen zeer populair zijn, zoals de door `Manga' – Japanse stripboeken – geïnspireerde kunst en de video- en computer-`Tokyo-pop'-kunst.

Volgens Bremer onderscheidt de jongere generatie zich van de oudere doordat ze in hun werk reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Ook zijn er jonge kunstenaars die zich een internationaal idioom hebben eigengemaakt dat weinig meer met Japan of met een onderscheid tussen Oost en West te maken heeft. Yoshinori Kon, die aan de academie in Düsseldorf studeerde bij de beroemde fotograaf Bernd Becher, maakte een video waarin hij de ervaring verbeeldt van een man die, toen zijn parachute zich bij een sprong niet opende, in enkele seconden zijn leven in beelden herbeleefde. Hisaya Kojima maakt intrigerende, exact gespiegeld installaties, bijvoorbeeld van een huiskamerinterieur. De bezoeker neemt in het midden plaats en ziet, in double vision, de wereld links en rechts uiteensplijten, terwijl hijzelf het enige ondeelbare geheel is.

De meest indrukwekkende bijdrage aan de tentoonstelling is die van Takahiro Suzuki (1967). Sinds een jaar of vijf schrijft Suzuki iedere dag Ikiro, dat `leef' of `leef bewust' betekent. Deze eindeloos herhaalde handeling, in inkt op vellen rijstpapier, dient om zich te concentreren op het niets, en sindsdien, zegt hij, beseft hij dat hij leeft. In het Kröller-Müller legde Suzuki vele stapels Ikiro-vellen geordend op blokken klei op de grond. Buiten legde hij een aardappelveldje aan, en bouwde hij van baksteen een lessenaar. Hier staat hij de komende drie maanden, tijdens de duur van de tentoonstelling, te schrijven. Hij hoopt dat hij de aardappelen over drie maanden kan eten. Wie wil kan door de glazen pui naar buiten stappen om met hem te praten of een Ikiro-vellen. De helft van de opbrengst gaat naar vluchtelingen in de wereld, de andere helft is voor zijn levensonderhoud. Net als bij Mono-Ha is de vorm van zijn kunst geheel ondergeschikt aan de handeling; en die eenvoudige handeling, zo geconcentreerd en gedetailleerd uitgevoerd, resulteert als vanzelf in een ontroerend mooi geheel, waarvan het niet meer ter zake doet of het nu kunst is of niet.

Tentoonstelling: Ikiro be alive, hedendaagse kunst uit Japan van 1980 tot heden. T/m 8-7 in Kröller-Müller Museum, Otterlo. Open dizo 10-17 u. Catalogus ƒ69,-

    • Janneke Wesseling