Sonneveld blijkt opnieuw ongrijpbaar

,,Ik leef alleen als er licht op me staat,'' zegt de imaginaire Wim Sonneveld in de voorstelling die theatergroep Toetssteen aan hem wijdt. Dat zou de echte Sonneveld óók gezegd kunnen hebben, al had hij daar waarschijnlijk meteen aan toegevoegd dat er ook heel goed te leven viel als anonieme God in Frankrijk. Hij wilde het één en tevens het ander, hij wilde telkens het toneel op en zag er tegelijk als een berg tegenop elke avond een soort oordeel Gods te moeten ondergaan. Maar hij wilde boven alles voor het publiek een illusie zijn, een man die in alle opzichten ongrijpbaar bleef. Wie hem wil portretteren, stuit onherroepelijk op zijn ongrijpbaarheid.

Ger Beukenkamp, artistiek leider, huisschrijver en regisseur van Toetssteen, heeft zijn Sonneveld in twee situaties geplaatst die aanleiding geven tot drama: als hij vlak voor een première in een zenuwinzinking raakt en niet op wil, en als hij in het ziekenhuis van een hartaanval lijkt te genezen. Annie M.G. Schmidt is in beide situaties tot voornaamste tegenspeelster gemaakt – zij die het artiestenvolk ziet als een verzameling hysterische types die hun eigen leegte niet onder ogen durven zien (,,zien ze een veer, moet-ie in hun reet'') tegenover de Sonneveld-figuur als de wispelturige diva. Haar heeft Beukenkamp de leukste oneliners gegeven; in sommige scènes is het zelfs alsof we de vingeroefeningen voor een toneelvoorstelling over Annie Schmidt zien.

Intussen komen er diverse episoden uit 's mans leven en werken voorbij, die echter lang niet allemaal iets bijdragen tot nader begrip. Zijn eerste vriend dompelt hem onder in het katholicisme, maar daar wordt niets mee verklaard. In een twistgesprek met Wim Kan komt plompverloren ter sprake dat Sonneveld tijdens de oorlog doorwerkte, maar ook daar is verder niets mee gedaan. Net zo min als met een koddig bedoeld tafereeltje uit zijn Hollywood-tijd, toen hij tegenover Fred Astaire meespeelde in de film Silk Stockings, of met de zoon die Sonneveld zich eens – ook in werkelijkheid – heeft gefantaseerd. Dat hij zijn leven lang een dwangmatige neiging had de pater familias uit te hangen van de mensen die in zijn ensemble speelden, komt hier niet aan de orde.

Mooi vind ik wel, dat Beukenkamp niet alleen gebruik maakt van bestaande liedjes, maar ook een paar nieuwe heeft geschreven die Wim Sonneveld wegens de homo-erotische ondertoon nooit gezongen zou hebben: Weet je dat ik kijk en Meedogenloze matroos. Het eerste benadert de stijl van Friso Wiegersma, het tweede die van Annie Schmidt. Martin van Dijk maakte er zeer passende combomuziek bij, die wordt gespeeld door piano, bas en gitaar – precies zoals het in de dagen van Sonneveld klonk.

Mooi vind ik ook de manier waarop Jan Ad Adolfsen de hoofdrol speelt. Hij heeft niet het unieke, lyrische Sonneveld-timbre, maar wel diens verzorgde dictie, de toegewijde chanson-voordracht, de malicieuze uithalen, de relledellerige maniertjes en de malle bekkentrekkerij waarmee hij het leven lichtvoetig trachtte te houden. Soms wat overdadig, maar wel raak getroffen. Naast hem heeft vooral Ineke Veenhoven als een laconieke Annie Schmidt de lachers op haar hand, terwijl Frank Klijn van vriend en lijfschrijver Friso Wiegersma een zuiver geweten weet te maken. Dat zich in enkele andere rollen de beperkingen voordoen die een amateurgezelschap nu eenmaal heeft, is makkelijk door de vingers te zien.

Maar het ongrijpbare van Wim Sonneveld maakt, dat de voorstelling voortdurend langs een kern lijkt te schieten. De hoofdpersoon blijft iedereen ontglippen; ook Beukenkamp heeft geen greep op hem gekregen.

Voorstelling: Sonneveld, door theatergroep Toetssteen. Tekst en regie: Ger Beukenkamp. Muziek o.l.v. Martin van Dijk. Gezien: 16/4 in Nieuwe de la Mar-theater, Amsterdam. Tournee t/m 3/6. Inl. (020) 6441186, www.toetssteen.nl