Oordopjes in bij band Baaba Maal

Elektrisch spelen in het Concertgebouw en akoestisch in Paradiso, het lijkt de omgekeerde wereld, gezien de tradities van deze zalen. Voor de Senegalese zanger Baaba Maal, die al vaker in Nederland optrad, lijkt het weinig uit te maken en staat er bij een `unplugged' concert alleen wat minder troep op het podium. Wie stiekem had gehoopt dat `akoestisch' synoniem zou zijn met zacht en intiem kwam gisteren in Paradiso bedrogen uit. De hogere lagen van Maals indringende stem veroorzaakten regelmatig schrijnende pijn en ook de instrumenten waren dusdanig versterkt dat oordopjes absoluut geen luxe waren.

Het was jammer dat het blijkbaar zo moest, vooral voor Maals mentor Mansour Seck, die, toch al gehandicapt door zijn blindheid, gisteren verloren op het podium stond. Met hem maakte Maal eind jaren tachtig zijn eersteling Djam Leelii, waarop het kenmerk akoestisch nog wel hand in hand gaat met een verteerbare dosis decibellen. Het was ook jammer voor Baaba Maals band, die bij vlagen heel bevlogen speelde. Vooral de afdeling percussie, uiteindelijk groeiend tot vijf man, zorgde voor opwindende momenten.

Dat Maal niet van zins is terug te keren naar Tempo Doeloe, de West-Afrikaanse plattelandsmuziek, moeten we hem maar genadig vergeven. Zo ook dat hij tussen langere bedrijven door een niemendalletje in het Frans zingt, het vlotte `Chérie' van zijn cd Nomad Soul. Zijn grote voorganger en concurrent Youssou N' Dour, is tenslotte ook niet wars van een hitje. Wat men Maal wel mag verwijten is dat het hem blijkbaar niet opvalt of stoort dat de traditionele instrumenten in zijn band, de kora en de Afrikaanse gitaar, als gevolg van de extreme versterking klinken als speedy koffiemolens. Is de naar erkenning hunkerende Maal inmiddels zo verslaafd aan elektriek dat hij doof aan het worden is? Dat iemand met voldoende talent voor je ogen de mist in gaat, is iets waar je niet aan wilt wennen.

Concert: Baaba Maal & Mansour Seck. Gehoord: 17/4, Paradiso, Amsterdam