Het gelieg der kameraden

Afvalligen van een geloof, een politieke richting of welke overtuiging dan ook, zijn meestal fanatieker in de bestrijding van de ooit aangehangen ideeën dan onbevangener critici. Aan dit fenomeen is het christelijke spreekwoord `Een renegaat is nog erger dan een Turk' gewijd.

Telegraaf-columnist Jacques Gans (1907-1972) was een communistische renegaat en dat verklaarde vermoedelijk de rabiate toon van zijn rechtse krantenstukjes. Dat Gans voor de oorlog een tijdje revolutionair angehaucht was, zal voor mensen die hem hebben gevolgd geen geheim zijn, maar dat hij een actief en toegewijd CPN-lid was, weet waarschijnlijk niemand meer. In De Parelduiker wijdt Gans-biograaf Willem Maas een onthullend verhaal aan de rode jeugd van de Telegraaf-coryfee. Uit recent opgediepte documenten uit archieven van de Communistische Internationale blijkt dat Gans zich in 1933 tot het bestuur van het Internationaal Verbond van Revolutionaire Schrijvers (IVRS) in Moskou wendde met het verzoek om het arbeiders-schrijverscollectief Links Richten onder zijn leiding als communistische mantelorganisatie te laten voortbestaan.

Op het moment was Gans net uit de CPN gegooid na een aanvaring met schrijver Jef Last, die hij was opgevolgd als redactiesecretaris van Links Richten. Inzet van het conflict was de verwerpelijke wijze waarop Marinus van der Lubbe was afgeschilderd in het (door communisten samengestelde) Bruinboek van de Hitler-terreur en de Rijksdagbrand. Volgens het Bruinboek was de aanstichter van de Rijksdag-brand en radencommunist Van der Lubbe ,,een door roemzucht en ijdelheid gedreven dwaas, homosexueel en [...] man van nationaal-socialistische sympathieën''.

Vrienden van Van der Lubbe accepteerden deze laster niet en stelden op hun beurt het Roodboek. Van der Lubbe en de Rijksdagbrand samen. Toen daarop in het hoofdbestuur van Links Richten een veroordeling van het Roodboek in stemming kwam, stemde Gans tegen, omdat hij het oneens was met de `geheel overbodige bekladding' van Van der Lubbe. Dat kostte hem niet alleen zijn CPN-lidmaatschap, maar ook de vriendschap met zijn voormalige kameraad Jef Last. Die schreef aan het bestuur van de IVRS dat Gans zich had ontpopt als ,,ein ganz gemeiner Verräter und öffentlicher Feind der Partei''. De Comintern steunde uiteraard de CPN-leiding, zodat Links Richten weer in handen van Last kwam.

Bij Links Richten hoorde een gelijknamig tijdschrift, dat precies één jaargang (augustus 1932 augustus 1933) heeft bestaan. Uit een bijdrage van Jacques Gans blijkt dat hij op het gebied van communistisch sektarisme niet onderdeed voor zijn toenmalige partijgenoten.

Het literair-historische opstel over Links Richten en Gans, dat met een knipoog naar Karel van het Reve Het gelieg der kameraden heet, wordt voorafgegaan door persoonlijke herinneringen van H.J.A. Hofland aan deze `wankelmoedige agitator'. Dit stuk is gelardeerd met aandoenlijke foto's van onder anderen een jonge Hofland met Gans bij café Scheltema. Hofland voelde wel sympathie voor de `bohémien en boulevardier' die uit protest tegen de `politionele acties' van plan was een aanslag op premier Drees te plegen. Hij voorzag zich van een revolver, maar bleef op weg naar de Tweede Kamer in een café steken. ,,Nee, dat is niet heldhaftig'', schrijft Hofland, ,,maar weer aanmerkelijk beter dan wat het grootste deel van het denkend vaderland in die tijd ten beste heeft gegeven.''

Voorop De Parelduiker staat een schitterend portret van Jacques Gans, gemaakt door Frits Muller, die met zijn illustraties voor dit blad zo langzamerhand een imposante historische portrettengalerij van geletterd Nederland bij elkaar heeft getekend.

`De parelduiker' 6, nr.1, 2001. Uitg. Stichting oog in t Zeil i.s.m. Bas Lubberhuizen. Prijs ƒ17,50.

    • Elsbeth Etty