Goegemeente

Een nadeel van een rubriek over woorden is dat je oog op een gegeven moment achter talloze woorden blijft haken. Zo tikte ik laatst de zin: je hebt niet in de hand hoe de goegemeente... Op dat moment stopte ik. Goegemeente, dacht ik, wat een vreemd woord eigenlijk. Vanwaar dat goe?

Vroeger zou ik het woord op een blaadje hebben gekrabbeld, om dat vervolgens kwijt te raken. Maar de digitale revolutie heeft ervoor gezorgd dat ik op mijn computer meteen allerlei naslagwerken kan raadplegen, bijvoorbeeld de Grote Van Dale.

De verleiding was te groot. Goegemeente, las ik bij Van Dale, betekent ,,het eenvoudige, naïeve, niet-kritische publiek''. Dat wist ik al, hoewel ik het niet zo kernachtig had kunnen formuleren. Maar over de herkomst of de ouderdom van het woord kwam ik niks te weten.

Nu staan rond mijn bureau alle Nederlandse etymologische woordenboeken. Van de onafgemaakte zin keek ik naar de band waar ik het meest van verwachtte. Daar bleek het niet in te staan. Ook in het tweede meest waarschijnlijke boek niet. Nu was ik verloren. Ik keek in alle Nederlandse etymologische woordenboeken die sinds de 19de eeuw zijn verschenen, inclusief hun vele supplementen, maar als ik goed heb gekeken wordt goegemeente in geen van die werken behandeld. Dat is een van de fijne dingen van dit vak: je blijft je verbazen.

Gelukkig bestaat er nog zoiets als het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke mammoetwoordenboek van het Nederlands, dat ook op cd-rom is verschenen. Goegemeente staat er niet in als zelfstandig artikel, maar met een klein beetje moeite kom je bij gemeente uit, waar een heel verhaal staat over de verbinding goede gemeente.

Goegemeente, zo las ik, is een samentrekking van goede gemeente. Die verbinding heeft verschillende betekenissen gehad. In de Middeleeuwen zei de landsheer goede gemeente tegen de burgerij van een stad ,,als welwillende uitdrukking van de rechtstreeksche betrekking, waarin zij tot hem stond''. Gaandeweg werd deze betekenis vergeten. ,,Het epitheton goed begon in eene andere beteekenis te gelden, aldus het WNT, ,,en de goê gemeente kreeg, eerst in scherts en vervolgens door gewoonte, den zin van: het volk dat goed van vertrouwen is en zich goedwillig door zijne regeerders allerlei lasten laat opleggen''.

Zo was het in de 17de eeuw. Vervolgens werd goegemeente gebruikt voor ,,het goedgeloovige, minder ontwikkelde volk, of wel, in het algemeen: het groote publiek''. Dat gebeurde waarschijnlijk halverwege de 19de eeuw. Ik overwoog even of ik die laatste betekenisverandering nog nader moest onderzoeken. Ik keek snel op een paar plaatsen, maar riep me toen tot de orde. Ik sloot de cd-rom en maakte mijn zin af.

Reacties naar redactie Achterpagina of naar sanders@nrc.nl