Gemotoriseerde gedrochten

Een foto van vlak na de oorlog maakt veel duidelijk over de mobiliteit van toenmalig Nederland. Voornamelijk vrachtwagens, veelal afgedankte legervoertuigen, vulden het straatbeeld, een enkele Jeep, maar bovenal fietsen en voetgangers. De economie trok zich weer op gang en voor een personenauto ontbraken toen noodzaak en middelen. De keus was bovendien minimaal, Eend, Kever en Renault 4 moesten nog aan hun bloeitijd beginnen. Dat waren dan auto's die nu nog als redelijk geaccepteerd worden beschouwd.

Maar er waren er ook die voor huidige begrippen alle grenzen van creativiteit tartten, compleet met vaasje plastic bloemen aan een zuignap op de voorruit. De carrosserie was vaak in de kleuren lichtgrijs en azuurblauw gespoten. Een `voorpui', die open kon, zoals bij de BMW en de Heinkel of de Zündapp Janus. Het stuur komt op geraffineerde wijze mee naar voren. Binnen waant men zich op een rollend toilet, met uitzicht naar alle windrichtingen. Massa's mensen hebben op de aandoenlijke wagentjes neergekeken, maar wie nu een exemplaar wil bezitten moet flink sparen. De karretjes die begin jaren zestig in rap tempo het lot troffen te worden gekoeioneerd en beschimpt, staan nu weer volop in de belangstelling al wagen huidige eigenaars zich er zelden meer de snelweg mee op. Wie er eenmaal in heeft gezeten begrijpt dat hij zijn leven niet zeker is met een topsnelheid van 75 kilometer per uur.

De menagerie van de dwergen uit de jaren vijftig overziend is er voor een wagentje als de BMW of de nog veel rankere Heinkel eigenlijk nauwelijks aanleiding tot gêne. Het begrip kreukelzone bestond nog niet en de gedachten gingen klaarblijkelijk ook nog niet echt uit naar stalen kooiconstructies. Toch is de BMW Isetta zonder meer een stormram vergeleken met de 140 kilo wegende Bond Minicar A. Sommige ontwerpen bewijzen dat het onderscheid tussen een trapwagen en een automobiel soms maar moeizaam te maken is. De Duitsers noemden hun bubbles `klein und schnittig'. Op die Duitse wagentjes zat niet zelden links naast het stuur een handvat aan een koord, waarmee het karretje, net als een buitenboordmotor, aan de praat werd gebracht. Een elektrische starter was een accessoire waarvoor de koper 200 mark moest neertellen, een tiende van de hele nieuwprijs.

Van de Fulda Mobil zijn 260 exemplaren gemaakt, waarvan er vier voor het nageslacht behouden zijn gebleven. Het is het geesteskind van een Zweedse journalist die in Duitsland werkte en er in zijn avonduren aan zat te tekenen. Toen hij zijn ontwerp productierijp achtte, is hij er elke fabriek mee af geweest, maar niemand zag er brood in. Behalve de boswachter van Fulda, die zijn loods ter beschikking stelde. De houten carrosserie werd bekleed met geslagen, bobbelend aluminium, waardoor ongerechtigheden in het hout voor de buitenwereld verborgen bleven. Deze `Silberfloh' haalde zeventig per uur en liep praktisch een op twintig.

Professioneler van fabrikaat oogt de Zündapp Janus, vernoemd naar de Romeinse God, die twee gezichten had. Het onnavolgbare creatieve proces in die jaren leverde een auto op zonder zijdeuren, maar in plaats daarvan een voor- en een achterdeur. Vader en moeder namen op de voorbank plaats, de kinderen op de achterbank, die zodanig was gesitueerd dat de gezinsleden met de rug naar elkaar kwamen te zitten. Dat moet tot continue wagenziekte hebben geleid, maar geen folder rept daar over. Tussen de twee banken zat de reserveband en een ronkende 248 cc-motor, die het gezin met 85 kilometer per uur naar de plaats van bestemming joeg.

Tegenwoordig creëren Fransen smaakvol overdekte bromfietsen – de levensgevaarlijke sans permis – omdat het halen van een rijbewijs daar een hele kostbare zaak is geworden. Maar in de jaren vijftig leken vooral Duitsers en Engelsen er octrooi op te laten rusten. Valt er in de hulpeloze Duitse lilliputters nog een spoor van logica te ontdekken, bij de Britse ontwerpers ontbreekt die ten enenmale. Zo loopt de Scootacar MK 2 uit 1962 van een brede, door twee wielen gedragen voorkant naar een spitse achterplecht op één band, terwijl de bestuurder voorin op een stoel zit met daarachter twee zitplaatsen. In elk geval kan de chauffeur bij het instappen zijn hoed ophouden.

Exemplarisch voor de naoorlogse lichting gemotoriseerde gedrochten is zonder twijfel de Messerschmitt KR 200, in de volksmond ook wel `de narcosekap' genoemd. Het karakteristieke van deze two-seater was dat de passagier recht achter de chauffeur moest plaatsnemen, ideaal voor gescheiden echtparen. Daarna werd het transparante dak over de verbaasde reizigers gesloten.

Jan de Lange, auteur van belangwekkende boeken over onder andere de Daf en de Mini, heeft niet de hele geschiedenis van de dwergauto's beschreven, maar wel de Nederlandse historie op dit punt – rijk en smaakvol geïllustreerd – op een rijtje gezet.

Alleen over de economische betekenis van dit industriële erfgoed kan hij de lezer weinig vertellen. ,,Ondanks de minimale verkoopaantallen bevatte het dwergautocircuit alle ingrediënten voor een succesvolle soapserie: er waren boeven en helden, geniale geesten en idealistische amateurs in tuinschuurtjes, iedereen leek zakelijke of persoonlijke banden te hebben met de concurrentie en het wereldje wemelde van opscheppers, oplichters en sukkels'', aldus De Lange. ,,Er werden ideeën gestolen, er werd inbreuk gemaakt op octrooien en soms werden hele auto's gekopieerd. Bijna alle cijfers die genoemd worden kunnen worden aangevochten, want er werd heel wat afgelogen om de zaken rooskleuriger voor te stellen voor banken, dealers en klanten. Maar de belastingdienst kreeg weer heel andere cijfers te horen. Op één of twee uitzonderingen na eindigde iedere onderneming met een negatief saldo en in de meeste gevallen met een failissement.''

Dwergauto's. Driewielers, scootmobielen en bubblecars in Nederland

Auteur: Jan de Lange

Uitgever: Europese Bibliotheek

192 pagina's, geïll.

Prijs 69 gulden

ISBN 90-288-2619-X

    • Bram Pols