Euthanasie in het gidsland

Voor het vrije, volgens de rede handelend individu dat tot zijn laatste ogenblik het beheer over zichzelf wil houden, zou de `pil van Drion', uitgereikt op erkend medisch voorschrift, een oplossing kunnen zijn.

Mevrouw Borst, onder wier ministerschap de eerste euthanasiewet ter wereld is aangenomen, heeft eraan gedacht. In haar vraaggesprek met Margriet Oostveen, afgedrukt in deze krant van vorige week zaterdag, zei ze over deze pil: `Ik ben er niet tegen als het zó zorgvuldig geregeld kan worden dat het alleen hoogbejaarde mensen betreft die klaar met leven zijn. Over dit onderwerp moeten we een uitvoerige maatschappelijke discussie hebben.' En eerder in het gesprek: `De euthanasiediscussie ging erom, iemand uit zijn lijden te verlossen, en als iemand niet lijdt, moet je ervan afblijven.' Dat is iets anders dan het `vóór de pil van Drion' zijn, zoals door veel media en ook op de voorpagina van deze krant werd gemeld. De heer De Hoop Scheffer zag zijn kans en gaf een natrapje. Niet dapper.

Overigens, zo'n misverstand, per ongeluk of opzettelijk, is onvermijdelijk. Dat in een land waar niet lang geleden de overwegend protestantse traditie overheerste, een euthanasiewet van kracht is geworden, is binnen de Westerse wereld al een revolutie. Alleen al het praten over deze pil wordt dan graag opgevat als het bewijs dat Nederland definitief van God los is geraakt; of zelfs dat je als buitenlander hier niet met je oude moeder moet komen, omdat het niet zeker is of je haar levend mee terugneemt als ze in Amsterdam haar heup heeft gebroken. Er zijn mensen die serieus in deze richting denken. (De Amerikaanse schrijver Herbert Hinden, De dood als verleider, Uitgeverij Gottmer, 1996).

Ik ben voorstander van de euthanasiewet, om een aantal redenen. Het hoort, dunkt mij, tot de rechten van de mens om onder omstandigheden die hij of zij als uitzichtloos ervaart, een einde aan zijn leven te doen maken door de medicus die weet hoe dat moet. Het woord `uitzichtloos' lijkt me het enige waarmee zo'n toestand bij benadering beschreven is. Een andere uitdrukking, `klaar met leven', geeft er een nuance aan die mij te simpel, te achteloos-intiem is: alsof het leven iets zou zijn dat een algemeen geldende voltooiing heeft, een soort karwei dat – zij het hoogst ingewikkeld – ooit in objectieve zin kan worden afgerond. Met `uitzichtloos' wordt eerder een concrete toestand beschreven; of men `klaar is' blijft een strikt persoonlijk oordeel.

Een groot voordeel van de euthanasiewet is, dat op het belangrijkste gebied dat men zich denken kan de mist van de vaderlandse gedoogcultuur is weggeblazen. Er is geen tersluiks gemarchandeer meer met halve voorschriften die zich op allerlei manieren laten interpreteren. Er zijn geen partijen meer, die menen in goede trouw te hebben gehandeld en dan toch de schuld kregen toegeschoven. Iedereen weet, tot het hoogst bereikbare, waar hij aan toe is. Dat is, binnen hier overheersende zeden en gewoonten, op zichzelf langzamerhand een revolutie: een afscheid van het gedogen als het verstrekken van beloften die weer kunnen worden ingetrokken zodra veranderde omstandigheden dat vragen.

Maar de euthanasiewet brengt bedenkingen van andere orde met zich mee. In de Eerste Kamer heeft de Socialistische Partij tegen gestemd. De argumenten van de SP-senator mr.R.F. Ruers stonden vorige week in deze krant. Behalve kritiek van juridische aard (bij het vaststellen van een strafbaar feit neemt de toetsingscommissie de rol van het openbaar ministerie over), brengt hij een ander bezwaar onder woorden. `De zin in het leven en de behoefte om te overleven of voort te leven kan niet los gezien worden van de omstandigheden waaronder men leeft, de samenleving waarin men leeft, de kwaliteit van het leven.' Levenszin en levenslust hebben, zoals Ruers het uitdrukt, hun `sociale dimensie'.

Hiermee is een andere kant aangesneden: de politieke, maatschappelijke, algemeen culturele. De vraag die hier eigenlijk wordt gesteld is: in hoeverre kan een samenleving verantwoordelijk worden gesteld voor een combinatie van omstandigheden die een mens de zin in het leven benemen: armoede, ziekte met slechte verzorging, gebrek aan geborgenheid in een collectief, eenzaamheid. Aan geen van deze factoren is in deze samenleving gebrek. De terugtredende staat, het verdwijnen van organisaties, de fameuze `individualisering' – boekenkasten zijn er intussen over vol geschreven. De conclusie die hier terzake doet is dat het gemiddeld individu sterker opzichzelf wordt aangewezen, en dat zijn persoonlijke welstand daarbij een niet geringe steun is om zich te handhaven, in zijn lichamelijk en geestelijk welzijn.

Het al dan niet aannemen van de euthanasiewet is gepaard gegaan met het antwoord op allerlei gewetensvragen. Minder had niet gekund. Maar in het vervolg daarop ligt het ook voor de hand, dat men zich afvraagt hoe men – de politiek, kerk, maatschappelijke organisaties, `de' samenleving – de behoefte aan euthanasie zo gering mogelijk kan laten zijn. Een `brede maatschappelijke discussie'? Over dit onderwerp? Is het niet inherent daaraan dat zich weinig deelnemers zullen melden? Toch is het niet uitgesloten dat de relatieve behoefte aan euthanasie een teken van klasse-onderscheid kan zijn, en dit des te meer in tijden van snelle veranderingen zoals nu, of van economische teruggang. Dan komt, cru gezegd, een situatie in zicht waarin de dokter opknapt wat de maatschappij heeft laten liggen. `Voorop moet staan, en het zou gewoon moeten zijn, dat wij de menselijke waardigheid voor elk mens garanderen, in welke levensfase hij of zij zich ook bevindt,' aldus Ruer. En zo is het niet.

Dat staat mij van het gidsland tegen: deze tegenstelling tussen manifeste vooruitstrevendheid en tersluikse nalatigheid.