Er moet geen `executiecultuur' ontstaan

`Het is volbracht.' Met deze woorden kijkt minister Borst in een interview in NRC Handelblad (14 april) innig tevreden terug op het passeren van het euthanasiewetsvoorstel dat afgelopen week de status van wet heeft gekregen. Wie deze laatste kruiswoorden van Jezus tussen Goede Vrijdag en Pasen als afsluiting van het euthanasiedebat voorgeschoteld krijgt, moet ze wel cynisch opvatten. Ze zet er haar christelijke tegenstanders met kennelijk genoegen mee buiten spel.

Helaas blijkt de kruistocht van Borst tegen het leed van de dood een heilige missie zonder einde. Na het `ondraaglijk en uitzichtloos lijden' – inmiddels een staande uitdrukking in het populaire vocabulaire – dient het volgend criterium zich aan: `levensmoeheid' of `je te pletter vervelen'. Nadat de geneeskunst zich eindelijk legaal over de dood kan ontfermen, is nu justitie aan zet om een gifpil te verstrekken aan degenen onder ons die der dagen zat zijn. Borst ziet het graag, vooralsnog voor ouderen – maar waarom zij eigenlijk alleen? – die klaar met leven zijn.

In het interview met Borst is een gedreven minister aan het woord die het leed voorstelt als een te bestrijden kwaad. Uiteraard dient leed bestreden te worden dat voorkomen of genezen kan worden, maar de discussie omtrent het actieve levenseinde ontbeert geregeld openheid en respect voor díe situaties waarin beter gezwegen kan worden. De dood wordt in dit soort regelgeving van haar naïviteit beroofd en tot een zaak gemaakt van keuze, van alternatieven, en van het betere argument.

Dit beroep op het recht op de dood kan – als elk sociaal onderkend recht – als impliciete plicht functioneren. Of de tijd daar is om te sterven wordt immers niet alleen door inschattingen van individuele personen maar ook door die van hun sociale omgeving en onze maatschappij als geheel bepaald. Levensmoeheid, depressie, lijden aan het leven, verveling: het dreigen sociale indicatoren te worden voor het aandringen op een ultiem vertrek uit de verzorgingsstaat.

Het risico dat sociale wenselijkheid het tijdstip van de dood bepaalt, ontgaat de autonomieridders van D66 in hun pleidooi voor wettelijke stervensregelingen keer op keer. Ambivalent calvinisme kan dit purperen doodsliberalisme bepaald niet ontzegd worden. Het beroep op zorgvuldigheidscriteria rond het actieve levenseinde wordt graag aangevoerd als blijk van medemenselijkheid, maar excuseert met evenveel gemak het geweten van nabestaanden.

Bovendien, wie kan met dit arsenaal aan kwaliteitszorg degenen nog schaamteloos in de ogen kijken die hun uitzichtloos en ondraaglijk lijden juist wél moedig dragen? Wie durft een doodspil te offreren aan de miljoenen buiten de veilige discussiegrenzen van de nationale welvaartsstaat voor wie lijden aan het leven een onontkoombare dagelijkse realiteit is? Men hoeft het geloof van christenen niet te delen om de zinvolheid van het inmiddels verloren wettelijk verbod op doden te begrijpen.

Toch kan het ook geen kwaad christenen op dit punt te begrijpen. Een van de uitgangspunten daarbij is het scheppingsgeloof. Als God de oorsprong is van de menselijkheid van de mens, dan is leed, sterven en dood niet te vereenzelvigen met het kwaad of de zonde die overmeesterd moeten worden. Het betekent dat leven en dood een onnavolgbare oorsprong hebben in Gods hand, en dat we op elkaar aangewezen zijn om onvermijdbaar leed, waar mogelijk, samen te dragen. Uiteraard kan dit besef geen christelijk dictaat zijn aan degenen die dit geloof missen. Maar het is wel een appèl om de tragiek van mensen in specifieke situaties recht te doen, en geen juridische voorzieningen te treffen waar een ethiek noodzakelijk is. Liever het gevecht om de vraag hoe in een concrete situatie wijs gehandeld moet worden dan de wettelijke toepassing van het recht op levensbeëindigend handelen. Voor christenen ligt daarin het beroep op het geweten om elkaar genade te betonen en met troost en zorg nabij te zijn. Grote woorden misschien, maar zeker niet brutaler dan die inmiddels in wetgeving vastgelegd zijn.

Bedrevenheid in de omgang met de dood is een twijfelachtige politieke ambitie. Laten we vermijden dat we in een executiecultuur terechtkomen die tragiek uit het vocabulaire verwijdert, en waarin morele dilemma's in genadeloze wetgeving geregeld worden.

Dr. H. Schilderman is pastoraaltheoloog aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

    • Hans Schilderman