`Een strafpleiter moet vooral partijdig zijn'

Er moeten spelregels komen voor het optreden van de strafadvocaat. Dat concludeert Taru Spronken in haar proefschrift.

Twee jaar geleden werd er door rechters, raadslieden en officieren van justitie nog een heuse `vredesconferentie' aan gewijd: de polarisatie in de rechtszaal. Aan de `veramerikanisering' van de strafrechtspleging, waarbij advocaten en aanklagers elkaar steeds bloeddorstiger naar het leven staan, moest een einde komen.

Onzin, meent de Maastrichtse advocate en universitair docente strafrecht Taru Spronken (45). ,,De verharding in de rechtszaal is volgens mij geen enkel probleem. Het is goed voor de waarheidsvinding en de rechtsbescherming dat in strafzaken op het scherpst van de snede wordt gedebatteerd. Partijen moeten zich alleen niet persoonlijk aangevallen voelen en met stront gaan smijten. Maar zakelijke polarisatie is prima.''

Bijna achthonderd pagina's telt het proefschrift waarop Spronken aanstaande vrijdag aan de universiteit van Maastricht hoopt te promoveren. `Verdediging' heet het boekwerk dat een inventarisatie bevat van de wettelijke en tuchtrechtelijke normen die voor strafrechtadvocaten in Nederland gelden. Slotconclusie: er moeten dringend gedragsregels komen waarin de specifieke positie van de strafadvocaat wordt geregeld.

Het ambt van strafpleiter heeft de afgelopen 25 jaar een metamorfose ondergaan. Een echte advocaat deed vroeger geeneens strafzaken. Te ordinair, te slecht betaald. ,,Een strafzaak was iets voor de stagiair. Om lekker te oefenen voor de echte, civiele praktijk.''

Het vak was ook niet interessant. In het Nederlandse zogeheten inquisitoire strafproces waren het de zittende en staande magistraten – rechters en aanklagers – die geacht werden erop toe te zien dat een verdachte niets tekort kwam. De openbare zitting in strafzaken was niet meer dan een verificatievergadering waarin werd gecontroleerd of politie en justitie netjes hadden gewerkt. De strafpleiter hing er maar zo'n beetje bij.

Onder invloed van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) is het juridische spektakel veranderd. Door zich te beroepen op artikel 6 EVRM – dat het recht op een eerlijk proces regelt – zijn aanklager en advocaat meer tegenover elkaar komen te staan en is de rechter lijdelijker geworden. Advocaten hebben weten af te dwingen dat in principe alle getuigen op de zitting kunnen worden ondervraagd. Spronken vierde als strafrechtadvocate bij het Europese hof in Straatsburg haar grootste triomfen. Ze lokte baanbrekende jurisprudentie uit, bijvoorbeeld over de bruikbaarheid van anonieme getuigen.

,,Het onderzoek naar de feiten in strafzaken gebeurt nog goeddeels buiten de advocaat om. Daarom zie je dat raadslieden, om toch resultaat te kunnen boeken, zich concentreren op de rechtmatigheidstoets van het verzamelde bewijs'', zegt Spronken. ,,Advocaten weten succes te boeken omdat rechters nadrukkelijker toetsen of de opsporing netjes is verricht''.

Door justitie en af en toe ook vanuit de eigen orde van advocaten, wordt strafpleiters verweten dat ze een strafzaak laten verworden tot een ordinaire tweestrijd die ze ook nog het liefst via de media uitvechten. Spronken verwerpt dergelijke algemene kritiek.

,,Advocaten voeren meestal legitieme verweren. Ze zouden zich wel wat minder op de borst moeten kloppen. Uit commerciële overwegingen vertonen ze nogal eens Tarzan-gedrag, maar bij de promotie van de eigen persoon past meer ingetogenheid. Ik vind het ontzettend dom als een collega als Theo Hiddema zich in een interview een prijsbokser noemt die de rechtsstaat gestolen kan worden.''

Dat de advocaat een maatschappelijke taak heeft en medeverantwoordelijkheid draagt voor efficiënte strafrechtspleging, blijkt volgens Spronken niet uit de door haar verrichte inventarisatie van juridische normen. ,,Een advocaat is vooral partijdig. Hij beoogt alleen die waarheid boven tafel te krijgen die in het voordeel van zijn cliënt is. Het tegendeel mag je niet verlangen. Een verdachte hoeft niet mee te werken aan het onderzoek. In ons strafsysteem geldt de presumptie van onschuld en dan kun je niet de advocaat vragen te helpen bij de veroordeling van zijn eigen cliënt.''

Spronken bepleit in haar proefschrift het opstellen van een statuut voor de verdediging. De huidige gedragsregels voor advocaten zijn volgens haar te algemeen geformuleerd. Niet toegespitst op de strafadvocaat die worstelt met dilemma's die heel anders zijn dan die van de civilist. De promovenda wil vooral geformuleerd zien hoe een raadsman de belangen van de verdachte moet behartigen. ,,De wijze waarop de advocaat de verdediging voert, moet geschieden conform de wil van de cliënt. Nu heeft de advocaat vaak de regie. Die bepaalt bijvoorbeeld hoeveel getuigen er moeten worden opgeroepen. Ik vind dat de advocaat voor alles uitdrukkelijke instemming van zijn cliënt moet hebben over de te voeren strategie''.

Daaraan schort het nu. ,,Ik denk dat niet veel advocaten zich houden aan het voorschrift dat ze aan hun cliënten vooraf schriftelijk toestemming vragen over wat ze in de publiciteit mogen zeggen. Ik ben niet tegen publiciteit. Het kan soms nuttig zijn een door het OM geschetst beeld te nuanceren, maar de meeste cliënten zijn helemaal niet gebaat bij publiciteit''.

Spronken waarschuwt voor een hoogst actuele bedreiging van de bescherming van het beroepsgeheim van advocaten als gevolg van de vorig jaar ingevoerde Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Volgens die wet kan de politie een advocatenkantoor observeren, het direct laten afluisteren of er zelfs een infiltrant laten werken als het vermoeden bestaat dat een verdachte groepering veel contacten onderhoudt met de raadslieden. ,,Schokkend'', noemt Spronken die methode die het OM tegenover haar heeft bevestigd.

Gedragsregels zijn ook nodig omdat door de hardere aanpak van de misdaad de rechtsbescherming van de individuele verdachte in de knel komt. ,,Er behoort te worden vastgelegd welke garanties de overheid moet geven om een effectieve verdediging mogelijk te maken'', zegt Spronken. Alleen zo valt volgens haar een einde te maken aan de trend om de ,,positie van de strafadvocaat verder te marginaliseren''.

    • Marcel Haenen