Pastorale

De trein is sinds lang – in Nederland sinds het lijntje Amsterdam-Haarlem van 1839 – het symbool van moderniteit. Rond 1900 werd in romans beschreven hoe de trein met zijn ijzeren wegen een idyllisch landschap doorkliefde. De zingende vogel werd overstemd, het grazende vee opgeschrikt door de stoomfluit. Het onheilspellende zoemen en trillen van de rails was de aankondiging van een nieuwe tijd die meedogenloos kwam aandenderen.

Ook de mens werd door de komst van het voertuig niet ongemoeid gelaten. De snelheid waarmee men voortaan van de ene naar de andere plaats kon komen, bracht, zo meenden veel cultuurbeschouwers, het individu regelrecht naar de afgrond van de waanzin. Romanhelden en heldinnen stortten zich in vertwijfeling op het spoor om zich door een aanrazende locomotief te laten verpletteren. De Franse naturalistische schrijver Emile Zola beschreef in 1890 in La bête humaine aan de hand van een verhaal over een trein de moordzucht en ambities van de moderne mens en de daarmee samenhangende overwinning van massaproductie op ambacht. Voor velen was de trein een dreigend artefact in het paradijs van onze pastorale verbeelding, zo stelde de Amerikaanse literatuurwetenschapper Leo Marx in 1967 in The machine in the garden.

Wanneer de trein niet reed omdat spoorwegarbeiders staakten, leek het alsof er verzet werd gepleegd tegen de uitwassen van de moderne tijd. Dit verzet was extra waardevol omdat het kennelijk zo was dat zelfs spoorwegarbeiders, die bijna een onderdeel waren van de trein en daarmee van de moderniteit, van mening waren dat het nieuwe snelle leven een te grote tol eiste. Het raderwerk van de moderniteit leek van binnenuit tegengewerkt te worden.

Terecht of onterecht, zo staat de de grote spoorwegstaking van 1903 tegen de `worgwetten, het stakingsverbod voor overheidspersoneel van de regering-Kuyper, in de herinnering. En zo was er de spoorwegstaking van 1944, al werd die dan uiteindelijk afgekondigd door de regering in ballingschap. De directie van de Nederlandse Spoorwegen was namelijk meer bezig met het draaiende houden van het bedrijf dan met de bijzondere omstandigheden van de bezetting. Het verhaal over de stakingen is terug te vinden in het werk van historici; Rijden of staken van A.J.C. Rüter uit 1960 en Stakingen in Nederland, het vorig jaar gepubliceerde proefschrift van Sjaak van der Velden.

Het conflict tussen de directie van de Nederlandse Spoorwegen en de vakbonden van afgelopen weken zien wij niet als een heldhaftig verzet tegen de scherpe kanten van het moderne leven. Dat is vreemd, zeker als we het verhaal over de mislukte onderhandelingen tussen de NS-directie en de bonden van Johan Stekelenburg en Hans Blankert in Vrij Nederland mogen geloven. In het relaas van beide `wijze mannen' klinkt verbazing door over het keiharde leiderschap van de NS-directie. De spoorwegkopstukken waren niet over te halen tot het doen van concessies. Ook informeel contact bleek niet mogelijk. Blankert voelde zich door een dergelijke bedrijfsvoering persoonlijk gekwetst. Hij kon het zich dan ook goed voorstellen als de bonden zouden staken. Tegelijkertijd gaf hij toe dat een staking niet aan de reiziger valt uit te leggen. Dat is waar. Velen roepen het treinpersoneel snerend toe dat iedereen zo zijn dagelijkse saaie rondje draait.

Waarom blijft de solidariteit met werknemers die het opnemen tegen een onsympathieke bedrijfscultuur uit? Waarom kan de reiziger zich niet verplaatsen in mensen die medezeggenschap willen hebben over het beleid van hun werkgever? Is alleen de ergernis over het niet rijden van de treinen voor het publiek belangrijk? Is solidariteit een achterhaald concept?

Nee. De reden voor het onbegrip voor de stakers valt de vakbonden te verwijten. Met hun `rondje om de kerk' hebben zij vanaf het begin voor een verkeerde metafoor gekozen om hun kritiek op de bedrijfsvoering van de NS aan het publiek te verkopen. De gebruikte beeldspraak strijkt regelrecht in tegen het diep verborgen maar wel degelijk levende pastorale ideaal dat velen koesteren. Een ideaal over het landleven waarbinnen al vanaf de negentiende eeuw de trein en spoorwegarbeiders een heel speciale rol spelen. Een boemelend rondje rond de kerk. Kan het landelijker, kan het romantischer? Menigeen wil juist zoiets in deze hectische tijden van flexwerken, jobhoppen en beleggingsfondsen. Men apprecieert de romantiek van de conducteur die jouw kaartje knipt en je iedere morgen als een goede bekende begroet.

Het verlangen naar een dergelijke kneuterigheid zou wellicht niet zo groot zijn en het begrip voor de stakers niet zo klein, als het landelijke ideaal niet zo sterk onder druk stond als vandaag. Huisartsen die dreigen te staken en niet langer hun dagelijkse rondje in het dorp willen maken, de euthanasiewet die volgens de paniekboodschap van een aantal religieuze herderlijke figuren ons de mogelijkheid ontneemt om rustig, zonder spuitgrage professional, op onze sterfbedstede in te slapen. En dan natuurlijk de mond- en klauwzeercrisis. Boeren blijken niet te zijn wat wij dachten. Zij zijn niet de conservators van ons landelijk ideaal, maar moderne ondernemers die door het ruimen van hun producten een grote financiële klap te verduren krijgen.

Maar media en de boeren zijn er goed in geslaagd de landelijke idylle in stand te houden. Daarom vooral interviews met boeren met hooguit vier dieren voor de melk. `U kent de koeien natuurlijk bij naam?', `U heeft een band met ze?', `Het zijn net kinderen voor u, toch?' De boer hoeft geen antwoord te geven. Het is `ja' in onze gedachten. De boeren zijn wat betreft hun boodschap aan het publiek veel gewiekster dan de spoorwegvakbonden. Door het in stand houden van de pastorale droom winnen zij moeiteloos solidariteit. Het publiek stort geld voor `onze boeren'. De spoorwegarbeiders verstoren slechts het pastorale ideaal; de treinen moeten rijden, in een rondje om de kerk en om onze geadopteerde koe.

Amanda Kluveld is historica.