OM

Voor het eerst in mijn leven smeekte ik de hemel dit weekeinde dat hij een regen van vuur en zwavel op de Stade Vélodrome van Marseille zou loslaten. Nee, symbolischer en minder gevaarlijk: dat een wolkbreuk bakken met pek en veren op de noord en zuid `virages'-tribunes zou laten neerdalen. In het bijzonder op de plek waar dat immense spandoek werd ontrold waarop viel te lezen: `Bernard, zeven jaar afwezigheid. We zijn je niet vergeten. De geschiedenis herhaalt zich'. Ik droomde van een stroperig veld, van kleverige spelers en publiek. Dit was bovendien een cruciale wedstrijd. Mocht Olympique Marseille, OM in de volksmond, het niet redden tegen Sedan, nummer vijf in de Franse eerste divisie, dan kon de stinkende bek van de tweede divisie wijd opengapen, klaar om in een geeuw van verrotting dat hele OM van Bernard Tapie op te slokken.

Dat mijn wens mij naar een afgrond van onbehagen zou voortduwen was natuurlijk te verwachten. Wie verraad pleegt, wie zijn vader vermoordt kan moeilijk zichzelf, via de weerspiegeling van zijn geweten, recht in de ogen kijken. En terwijl ik naar de degradatie van mijn geliefde OM verlangde zag ik het jongetje dat ik ooit was zijn vinger op mij richten. De scholier die in de Provence van de jaren zestig en zeventig geen muur, geen bankje, geen boom op weg naar huis voorbij liet trekken zonder die magische formule erin te kerven: allez l'OM.

Maar er hoefde maar één naam als een massieve noodklok te luiden om mij tot deze daad van verloochening te dwingen: Bernard Tapie. Daarbij vergeleken vallen alle Zorreguieta's, Boonstra's, Van der Valks en Pepertjes bij elkaar, in het grote niets. Bernard Tapie, dat is de merknaam van een gecommercialiseerd virus dat de menselijke ziel aantast totdat er alleen een visgraat overblijft. De man die fysiek de eeuwige french frog personifieert, heeft zoveel scheidsrechters, keepers, voorzitters en terreinknechten in zijn leven omgekocht dat het de rechters ging duizelen. Niet alles was bewijsbaar: de oud-voorzitter van Olympique Marseille ging wel de gevangenis in, maar alleen voor het omkopen van die ene wedstrijd tegen Valenciennes in 1993, vlak voor het winnen van de Europa Cup tegen Milaan. Daarvoor, in 1992, was hij door zijn mentor, president Mitterrand, tot minister benoemd. Mitterrand, aangetast door kanker en verblind door Tapies grootspraak en boeverij, introduceerde hiermee de cosa nostra van het opportunisme in zijn regering. Lager kon Frankrijk niet vallen. De opgeblazen kikker Tapie viel vanzelfsprekend snel door de mand met de plons van een drol in een septic tank. Begeleid door rechters van instructie nam hij ontslag als minister, als voorzitter van Olympique en als captain of industry. Van leugens naar bedrog, van fraude naar charlatanerie schuifelde hij langs alle denkbare soorten rechtbanken om te eindigen daar waar hij hoorde: in het cachot. Maar verklaar het verpletterde beest niet dood zolang je iets van een rammelende maag en hongerige aandelenportefeuille onder je zolen voelt kloppen. Tapie de bedrieger kwam uit de Santé-gevangenis en werkte zich, dit keer via toneel, films en radio, weer omhoog. Ik had hem in zijn nieuwe carrière alle rollen gegund, van mister Hyde tot Scrooge. Maar een plek bij mijn OM, dat nooit meer. Zelf niet als worstverkoper. Ik had natuurlijk geen rekening gehouden met de staat van ontbinding waarin de voetbalmicrokosmos zich bevindt. Marseille, dat door degradatie wordt bedreigd, heeft de uitvinder van de corruptie weer in zijn armen gesloten. Hem een bestuursfunctie geschonken. En een boodschap geseind naar alle jongeren die van overvallen en afpersing dromen: misdaad loont!

Voor zijn eerste wedstrijd als padre padrone, zag Tapie Marseille met 2-1 van Sedan winnen en uit de gevarenzone stappen. Maar ik treur niet. Het is een kwestie van geduld. Van wachten op nieuwe aanklachten en rechters. Wat betekent overigens de afkorting OM in het Nederlands?

    • Sylvain Ephimenco