Intensieve veehouderij kan niet langer in Nederland

Het MKZ-virus maakt geen onderscheid tussen de ene boer en de andere. Wij dienen dat wel te doen. De minister van Landbouw zou de wankelende boeren die niet meededen met de gekte van massaproductie en schaalvergroting, moeten laten opsporen. Hun opvattingen en ervaringen zouden in een prachtige toekomstnota moeten worden gebundeld, meent Koos van Zomeren.

Om te onthouden: het was maart 2001 en opeens leefden we onder de dictatuur van landbouw. Boeren werden op hun eigen erf geïnterneerd, hun vee werd geconfisqueerd en ter plekke gedood. De vrije nieuwsgaring werd opgeschort. De hele Nederlandse bevolking werd beperkt in haar bewegingsvrijheid. Zeker, er was een argument voor deze maatregelen. Er is altijd een argument voor dictatuur. Mond- en klauwzeer dus.

Inmiddels zijn we vier weken verder. Op het platteland is het drama nog in volle ontplooiing en iedereen roept dat niemand dit ooit gewild heeft, en het gekke is dat het moeite kost om dat te accepteren, dat je je best moet doen om in te zien dat dat waar is. Maar natuurlijk is mond- en klauwzeer nooit de bedoeling geweest, net zo min als het de bedoeling was om onze landschappen te verwoesten, om het milieu te verzieken, om de boeren te laten vereenzamen, om de koeien kapot te fokken of om varkens en kippen een bestaan op te leggen dat alleen maar als een marteling kan worden ervaren.

Niets van dit alles is ooit de bedoeling geweest. De bedoeling was geld verdienen. En laten we wel zijn, dat is een tijdlang aardig gelukt ook.

Het systeem heeft zijn werk gedaan en nu het onder zijn eigen druk bezwijkt, staat het opeens moederziel alleen. Opeens keert iedereen het de rug toe. Omdat niemand dit ooit gewild heeft, draagt opeens ook niemand de verantwoordelijkheid. Opeens is het een leeg systeem.

Deze leegte kan misschien de onwezenlijke sfeer verklaren rond de hulpactie voor MKZ-boeren, zaterdagavond op de TROS onder de bezielende leiding van Tineke Verburg en Bennie Jolink, die daarin werden bijgestaan door het departement van Landbouw, de land- en tuinbouworganisatie LTO en de Rabobank. Niets ten nadele van de mannen die daar momenteel aan het roer staan; we zullen hun inzet nog hard nodig hebben om een nieuw landbouwbeleid van de grond te krijgen. Maar je kunt toch moeilijk uit je hoofd zetten dat dit nou precies de organisaties en instellingen zijn die de boeren hebben opgejaagd in de richting waar zich nu de afgrond blijkt te bevinden.

Ik zou zeggen: er zijn organisaties en instellingen die in de huidige situatie iets meer recht van spreken hebben.

Afgelopen vrijdag werd in Den Haag het Manifest voor het houden van dieren gepubliceerd. Dit manifest is een initiatief van Natuur en Milieu en het staat open voor ondertekening door iedereen die het ermee eens is.

Het manifest wil een drastische beperking van de Nederlandse veestapel: koeien met een kwart, varkens en kippen met de helft. Omwille van dierenwelzijn en milieu moet de veehouderij worden geëxtensiveerd. Het slepen met levend vee kriskras door Europa moet aan bnden worden gelegd. De hele inrichting van de landbouw moet worden geregionaliseerd. De biologische landbouw moet worden bevorderd, de boer moet een goede prijs krijgen voor een goed product.

Je kunt je afvragen of zo'n manifest wel zin heeft (nu iedereen dit soort dingen roept) en of dit wel het geëigende moment is om het te presenteren (nu de crisis nog gaande is). Naar mijn idee moeten beide vragen met ja worden beantwoord.

Dat iedereen dingen roept, wil nog niet zeggen dat ze ook zullen gebeuren. In 1997, het jaar van de varkenspest, was ik betrokken bij de actie Varkens in Nood. Ik herinner mij de heer Blauw, destijds voorzitter van de betreffende Kamercommissie. Over varkens, verzekerde hij, hoefden we ons in Nederland geen zorgen meer te maken; het dierenwelzijn stond nu hoog op de agenda van alle politieke partijen.

Maar de pest was het land nog niet uit of de geruimde stallen stroomden weer vol. Nu worden bij ons weer bijna net zoveel varkens gehouden als voorheen. Het enige verschil is dat grote bedrijven groter zijn geworden en kleine zijn opgedoekt. Bij crises, die vooral door grote boeren worden veroorzaakt, zijn het telkens weer vooral de kleine die het loodje leggen. Boeren eten boeren. Zo gaat het al jaren. Wil je deze heilloze spiraal doorbreken, dan is dit het moment.

Nu staan boeren in het hele land voor de vraag of en hoe ze hun bedrijf kunnen voortzetten. Ze hebben bovenal behoefte aan perspectief. Ze hebben er recht op te weten in welke richting ze kunnen werken mét steun van de burgerij. En die burgerij van haar kant heeft er recht op deze steun aan bepaalde voorwaarden te koppelen. Iedereen heeft hier belang bij, is het niet wegens zijn zorg over het welzijn van dieren, dan is het wel wegens de besteding van zijn belastinggeld.

In termen van de gangbare landbouw hebben we in Nederland geen boeren meer nodig voor de voedselproductie. Het lijkt me daarom ook in het belang van de boeren zelf om in andere termen te spreken. Dan kun je zeggen dat we in ieder geval boeren nodig hebben voor het behoud (en zo mogelijk herstel) van onvervangbare cultuurlandschapen.

Dan heb je het, wat de veeteelt betreft, met name over melkveehouders. Dan heb je het in ieder geval niet over varkens-, kalveren- en kippenhouders – die dragen aan ons landschap alleen maar foeilelijke bedrijfsgebouwen en onafzienbare hoeveelheden mest bij.

Op het ogenblik fungeren de LTO en een kennelijk onverwoestbare Gerard Doornbos vooral als spreekbuis voor de melkveesector. Maar deze organisatie is een vat vol tegenstrijdigheden. Binnen de kortste keren zijn het weer de varkenshouders die zich roeren om hun belangen veilig te stellen, en dat zijn nu eenmaal exportbelangen. Als de melkveehouders hun vee tegen mond- en klauwzeer willen vaccineren, zullen het in de eerste plaats de varkenshouders zijn die ze tegenover zich vinden.

De ene boer is de andere niet. Dat geldt ook bínnen de rijen van melkveehouders. Ik denk aan die twee broers in Sprang-Capelle, tweeëndertig koeien die nog met de hand gemolken werden. Geruimd. Voor alle zekerheid. Om erger te voorkomen. Je maag draait ervan om in je lijf, juist omdát het zo'n klein bedrijf was. Ik durf de stelling wel aan dat de boeren met de minste koeien het zwaarst gedupeerd worden.

Het MKZ-virus maakt geen onderscheid tussen de ene boer en de andere. Wij dienen dat wel te doen.

Ze zijn er altijd geweest: boeren die het anders deden, boeren met andere ideeën over de bedoeling van het boerenbedrijf en de omgang met vee, boeren die pasten voor de gekte van massaproductie en schaalvergroting. Door de jaren heen zijn ze stelselmatig gekleineerd en weggehoond, zowel door Landbouw als hun eigen organisaties (en de Rabobank).

En ze zijn er nóg, deze boeren. Maar ze wankelen. Was ik minister van Landbouw, dan liet ik ze onmiddellijk opsporen, dan liet ik hun opvattingen en ervaringen bundelen in een prachtige nota voor de toekomst. Niet alleen omdat ze recht hebben op eerherstel, maar nog meer omdat we hen nodig hebben voor een nieuwe start van de veehouderij – deze boeren, hun kennis van het land, hun koppigheid en hun toewijding. En hun koeien hebben we ook nodig.

Er voltrekt zich een drama op het platteland. Een dubbel drama zou het zijn als de geruimde stallen straks gewoon weer worden volgezet, of als alleen de geruimde stallen leeg blijven en verder iedereen klakkeloos de draad weer oppakt, als we gewoon verdergaan waar we gebleven waren.

Bij alle onzekerheid staat namelijk één ding vast: de intensieve veehouderij is een weelde die we ons domweg niet meer kunnen veroorloven, moreel niet, sociaal niet en financieel ook niet.

Koos van Zomeren is schrijver.

    • Koos van Zomeren