Hemel en hel in mislukte totaalbelevenis

Al op de brug die het in het water gelegen Groninger Museum met de oevers verbindt, klinkt hemelse muziek. Een voorproefje van wat de bezoeker van Hel en hemel. De middeleeuwen in het noorden te wachten staat. Het museum heeft voor de gelegenheid cineast Peter Greenaway in de arm genomen, die een soort verhaal om de te tonen voorwerpen heen regisseerde. Een verhaal van dood en leven, hel en hemel, kloosters, monniken, botten en schedels.

Omdat Greenaway filmer is, liet hij het niet bij museale belichting en rangschikking. Hij voegde geluid toe, van engelachtige laatmiddeleeuwse zang voor de hemel tot harde dreunen om het helse karakter van de hel te onderstrepen, liet het licht wegvallen of juist opflitsen, op video's schrijven pennen middeleeuwse teksten, de ruimtes zijn voorzien van gangen of pilaren. Een `totaalbelevenis' dus, een poging om meer zintuigen aan te spreken dan alleen maar het gezicht.

Wie naar binnen loopt komt in een zaal vol boeken en handschriften, het ene al mooier en interessanter dan het andere. Schitterend verluchte bladzijden of juist intieme krabbels die zeggen van wie dit boek is, psalters, getijdenboeken, breviaria en kloosterkronieken. Op een wand staan wat gebeurtenissen geschreven, ook weer in verschillende handschriften, die de twaalfde-eeuwse Abt Emo van Wittewierum in zijn kroniek optekende. Zondvloeden en ziektes teisterden de noordelijke landen, dat wordt wel duidelijk. Maar niet héél duidelijk, want behalve deze wat warrig volgeschreven muur staat nergens wàt abt Emo nu precies schreef. De kroniek wordt in de catalogus het hoogtepunt van de tentoonstelling genoemd, maar aan de moeilijk leesbare bladzijden die openliggen is niet veel bijzonders te zien, en wat ze behelzen blijft enigszins schimmig.

Sowieso lijkt deze ruimte met boeken niet bedoeld voor bestudering. Want sta je een poosje naar een bladzijde te kijken, dan floept ineens het licht uit, of een naburige bladzijde van een ander boek wordt uitgelicht alsof er iemand zegt: dáár moet je kijken. Ga je erheen, dan verschuift het licht weer naar de, uiterst summiere, toelichting of alles wordt zo diffuus dat er van lezen geen sprake meer kan zijn. Het is duidelijk: men wordt geacht een sfeer te ondergaan, niet een potje te gaan staan lezen.

Zo dwaalt de bezoeker verder, langs de video's met schrijfhanden en de schermpjes waarop afzonderlijke letters getekend worden schrijfkunst. Het gedonder wordt luider als men smalle houten gangen in schuift, waar enkele kunstvoorwerpen staan opgesteld. Ook daar valt geregeld het licht uit, maar nu totaal, zodat alle bezoekers stil moeten staan tot het weer aan gaat om niet in het aardedonker tegen elkaar op te lopen. Langs een vitrine met hondenschedels naar een zaaltje waar drie houten nappen en een paar tinnen kannen op een houten tafel staan. Ervoor beweegt wat water, het is allemaal erg esthetisch. Maar wat betekent het? Misschien is dat onderdeel van de hel, dat men een betekenisloze wereld wordt binnengeleid, een wereld waarin water opgepompt wordt in grote aquaria en bruisend terugvalt onder harde orgelklanken en oorverdovende klappen en dreunen. Ertussen liggen wat middeleeuwse messen. Daar zouden ze in de hel vast hele nare dingen mee kunnen doen.

Een kamer met botten en schedels vormt het hart van de tentoonstelling. Het zijn de resten van monniken van het klooster te Aduard, die hier voor het eerst getoond worden. Ook hier zie je de hand van Greenaway die van alles iets weergaloos moois weet te maken, nooit waren menselijke resten zo esthetisch. De keurig gestapelde schedels, ribben in doorzichtige plastic zakjes, stapels wervels en dijbenen ze spreken door hun ordening nauwelijks meer van vergankelijkheid, maar louter van schoonheid. Natuurlijk probeert een toeschouwer in de schedels de verdwenen mensen te zien monniken. Uit Aduard. Hoe ze leefden? Wat ze meemaakten? Welke voorwerpen ze gebruikten, wat ze geloofden, hoe ze zich hel en hemel voorstelden? Nergens een aanwijzing.

Het is moedeloosmakend, deze tentoonstelling. Alles wat interessant zou kunnen zijn is ondergeschikt gemaakt aan de behoefte aan mooie plaatjes en dramatische effecten. De oorkonden die getoond worden, hangen als colbertjes aan hangertjes achter elkaar. Wat ze betekenden voor het middeleeuwse leven in het noorden wordt nergens uitgelegd.

Uit de catalogus blijkt dat de boeken het belangrijkste deel van deze tentoonstelling geacht worden te zijn. Uit de tentoonstelling wordt dat niet duidelijk. Daaruit wordt überhaupt niets duidelijk: niet hoe men zich in de Middeleeuwen hel en hemel voorstelde, niet hoe het kloosterleven in het noorden eruit zag, niet hoe we ons het geestelijke en intellectuele klimaat in die dagen en streken moeten voorstellen. Niets. Alleen maar dat Peter Greenaway gefascineerd is door schrijvende pennen, dat hij zo goed met licht en geluid kan omspringen en dat hij zo mooi voorwerpen in een ruimte kan schikken. Dat kan hij.

Jammer van de voorwerpen. Jammer van de interessante geschiedenis die voor de bezoekers verborgen blijft. Jammer van alle kennis die achter de tentoonstelling schuilgaat en waarvan alleen de catalogus iets laat zien. Het ziet ernaar uit dat de specialisten zich te veel op hun kop hebben laten zitten door zoiets als de tijdgeest. Zeker weer bang geweest dat het `saai' werd als je bijzondere bruiklenen laat zien, vertelt hoe het Groningse kloosterleven er tussen 1100 en 1500 uitzag of wie Rudolf Agricola was. Het moest weer zo nodig een `ervaring' zijn.

En nu is het niets.

Tentoonstelling: `Hel en hemel. De middeleeuwen in het noorden', t/m 2-9-2001 in: Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Tel (050)3666555. Open di-zo 10-17u, toegang ƒ13,50. Catalogus ƒ37,50.

    • Marjoleine de Vos