Anne

Op mijn klei graast een dwergbokje met reuzenhoorns. Samen met een zwanger geitje vervoegde hij zich op kerstavond bij een dierenasiel. Niemand wist van wie ze waren of waar ze vandaan kwamen. Ze werden Jozef en Maria genoemd. Voor Maria die in de kerstnacht beviel, werd spoedig een kosthuis gevonden, maar het bokje wou niemand hebben. Niet zo vreemd want ziet hij een mens dan bukt hij zich en stormt met z'n hoorns vooruit erop af. Uiteindelijk heb ik me over hem ontfermd.

Toen ik hem een poosje had, verscheen bij mijn buren een onwaarschijnlijk scharminkelig geitje. Ze werd daar bij de paarden ondergebracht. Al na een dag was ze kreupel omdat een hengst per ongeluk bovenop haar was gaan staan. ,,Ze mag zolang wel bij mij'', zei ik, ,,kan ze Jozef gezelschap houden.'' ,,Goed'', zeiden ze, ,,maar dan als lease-geitje.'' Daar ging ik mee akkoord.

In 't begin, toen het geitje nog klein was, ging 't goed. Jozef behandelde haar voorkomend. Soms probeerde hij op haar te klimmen, daarbij z'n tanden op grappige wijze ontblotend. Hij had dan goesting. Anne ging er echter niet op in. Ze was nog te jong voor de liefde.

Anne groeide echter ongelofelijk snel. Al na een paar maanden was ze tweemaal zo groot als Jozef. Toch was ze niet tegen hem opgewassen. Telkens stormde hij met z'n vervaarlijke hoorns op haar af. Voortdurend werd ze omver geduwd en als ik met fruitschillen aankwam, kreeg ze kopstoten in haar flanken, op haar achterwerk, en recht op haar snuit. Als een ware duivel danste Jozef dan om haar heen, haar treffend waar hij maar kon.

Ik zei tegen m'n buren: helaas, 't tjotjokt niet meer tussen Anne en Jozef, ze moeten uit elkaar. Leuk vond ik 't bepaald niet, want die Anne... ach, wat was die aanhankelijk en innemend.

De buren wisten een goed kosthuis voor Anne op de Veluwe. In m'n herinnering staat de dag gegrift waarop ze vertrok. Aan een touw stond ze bij de paardenstallen op transport te wachten. Met grote, verschrikte ogen keek ze steeds maar om naar m'n perceel. Alsof ze dacht: ,,Moet ik daar nu echt weg? O, wat vreselijk.''

Jarenlang kregen we goede berichten over Anne. Ze was een kloeke supergeit geworden. Ze was buitengewoon lief, ze mocht daar waar ze woonde in de salon bivakkeren en in de bijkeuken slapen.

Toen brak er mond- en klauwzeer uit in Oene. Aan m'n buren vroeg ik ongerust: moet ze ook geruimd worden? Nee, zeiden ze, ze woont net buiten de twee kilometergrens. Maar toen werd opeens een heel stuk van de Veluwe omgetoverd in een echt getto en dadelijk kreeg ik te horen dat Anne er middenin zat.

,,Wat nu?'' vroeg ik. De mevrouw bij wie ze nu woont, wil niet dat ze door die Brinkhorst-barbaren wordt afgeslacht. Ze heeft al met haar eigen dierenarts afgesproken dat die Anne binnenkort, om de moordenaars voor te zijn, een spuitje zal komen geven. En dan krijgt ze ook een nette begrafenis, dan wordt ze niet afgevoerd naar een destructiebedrijf.

Een zeer schrale troost. Als de nu nog kerngezonde Anne al mond- en klauwzeer zou krijgen, zou ze daar vermoedelijk weinig last van hebben (geiten en schapen worden doorgaans niet erg ziek van 't virus) en ze zou er zeer waarschijnlijk niet aan doodgaan. Maar nu is reeds onherroepelijk beslist dat ze, uitsluitend om economische redenen, het leven moet laten. Zover zijn we in onze omgang met dieren al gekomen dat we hen zelfs 't recht ontzeggen om (als ze 't overigens al krijgen) weer te mogen genezen van een akelige, maar allerminst dodelijke veeziekte. Het eigenaardige is: voor de ziekte zelf hoef je als je evenhoevigen houdt, nauwelijks bang te zijn. Het grote gevaar komt van de moordcommando's van Brinkhorst. Niet het MKZ-, maar het RVV-virus is volstrekt dodelijk. Daar kun je je dieren niet tegen laten vaccineren. Nu zijn vermoedelijk al veel meer dieren omgekomen, dan aan de ziekte zelf zouden zijn gestorven als men die z'n gang had laten gaan.

Sinds de uitbraak van de ziekte, knijp ik hem ook vreselijk voor Jozef. Komt 't virus deze kant op, dan gaat ook hij eraan. Zelfs z'n machtige hoorns zullen hem niet helpen.

    • Maarten ’t Hart