Als het land arm is, werkt een kind

Ondanks de ophef over een schip met vermeende `kindslaven' uit Benin, is het in West-Afrika niet ongebruikelijk dat kinderen moeten werken.

Kindslavernij is een ander woord voor kinderarbeid. Dat maakt de tewerkstelling van kinderen niet minder erg, maar misschien wel begrijpelijker. Want kinderarbeid in inherent aan West-Afrika. Zolang arme landen als Mali, Burkina Faso en Togo arm blijven, gaan kinderen uit die landen op zoek naar baantjes in relatief rijke landen als Ivoorkust en Nigeria. Soms gaan ze uit eigen wil, soms worden ze gestuurd door hun ouders, soms worden ze `gekocht' door een handelaar.

Het schip dat vanuit Benin naar Gabon voer om daar zijn vermeende lading met `kindslaven' af te leveren, had vanmorgen dan wel geen kindslaven aan boord, het koos dezelfde bestemming als veel kinderen die op zoek gaan naar werk. De Afrikaanse gastarbeidertjes zijn bijna altijd afkomstig uit Benin, Burkina Faso, Mali of Togo. Kameroen en Equatoriaal Guinea zijn typische doorgangslanden. In Ivoorkust, Gabon en Nigeria ligt het goud op straat, althans, dat denken de duizenden kinderen die jaarlijks hun fortuin elders zoeken en gastarbeider worden.

Volgens het Comité tegen moderne slavernij (CCEM) in Parijs is smokkel van kinderen in West-Afrika een snel groeiend probleem. De handel in jonge werkkrachten zou sinds begin jaren negentig exponentieel zijn toegenomen. Zo werden bij de grens van Benin met Ivoorkust vorig jaar zo'n duizend kinderen aangehouden. Dit zou echter maar een fractie zijn van het werkelijke aantal dat jaarlijks Benin verlaat, al dan niet in het gezelschap van kindsmokkelaars, op zoek naar werk. ,,Er bestaan tientallen grensovergangen waar smokkelaars gebruik van maken'', aldus het comité. ,,Maar het is onmogelijk te controleren. De politie ter plaatse werkt met één Jeep en een liter benzine per maand.''

Droogte en armoede werken kinderarbeid in de hand. Ook uit het zeer arme Mali vertrekken jaarlijks honderden, zo niet duizenden kinderen, naar het zuidelijker gelegen Ivoorkust. De meesten van hen vinden werk in de koffie-, cacao- en katoenteelt. Sommigen zijn zo jong als zeven jaar, hulporganisaties schatten de gemiddelde leeftijd op tien à elf jaar. Volgens een grove schatting van de VN-Kinderorganisatie UNICEF zouden ongeveer 15.000 kinderen uit Mali in Ivoorkust werken. Zij zijn vaak afkomstig uit kleine dorpen die ze in tijden van droogte als seizoensarbeiders verlaten.

In sommige dorpen rond de Sahel-woestijn is dat zelfs traditie geworden en markeert zo'n vertrek de overgang naar de volwassenheid. Een typische getuigenis is die van een Malinese jongen die al drie pogingen had gedaan de grens met Ivoorkust over te steken: ,,Bij ons groeit niets meer. Ik heb zeven broers en zussen en mijn ouders kunnen niet iedereen te eten geven. Ik ben de oudste, dus hebben ze me gevraagd werk te zoeken.''

Mali en Ivoorkust tekenden vorig jaar september een verdrag dat een einde moet maken aan de handel in kinderen. Alleen al het feit dat dit akkoord werd gesloten, was een belangrijke stap voorwaarts, omdat daarmee feitelijk erkend werd dat de handel bestaat.

Toch zal het moeilijk zijn kinderarbeid in West-Afrika een halt toe te roepen. Niet alleen armoede speelt een rol; ook culturele factoren tellen mee. In dit deel van de wereld is het gebruikelijk dat kinderen vroeg op eigen benen leren staan. De leerplicht bestaat doorgaans alleen in theorie. Kinderen worden zonder dralen naar een familielid elders gestuurd als daar betere vooruitzichten op werk of onderwijs bestaan. Zo kan het gebeuren dat een `smokkelaar' zich aandient die een of meerdere kinderen van het gezin werk in het buitenland belooft. De ouders krijgen een voorschot op het salaris, het kind wordt overgedragen aan een plantagehouder of belandt in de prostitutie.

Volgens een Afrikaanse hulpverlener is het een kwestie van perspectief: ,,We hebben het wel steeds over slavernij in het buitenland, maar het merendeel van de kinderen wordt thuis ook uitgebuit, in hun eigen huis.''

    • Pauline Bax