ZINTUIG DAT 'T EERST ONTSTAAT, KRIJGT DE MEESTE BREINRUIMTE

Tijdens de embryonale ontwikkeling van de hersenen blijkt te gelden `wie het eerst komt, die het eerst maalt', in ieder geval bij de Stermol (Condylura cristata). Dit zoogdiertje heeft een opmerkelijk tastzintuig op zijn neus met tweeëntwintig tentakels waarvan er twee extra gevoelig zijn. De informatie uit deze twee tentakels wordt dan ook verwerkt in een onevenredig groot deel van de hersenschors. De twee `supertentakels' veroveren zoveel hersenschors door er tijdens de embryonale ontwikkeling als eerste bij te zijn, zo concludeert dr. Kenneth Catania van de Amerikaanse Vanderbilt universiteit uit onderzoek van het dier (Nature Neuroscience april).

Stermollen hebben zich op een unieke manier aangepast aan hun leven onder de grond. Rond de neusgaten heeft de mol een ster van vingerachtige uitsteeksels, elf aan iedere kant, waarmee hij zijn omgeving kan verkennen. Voor nauwkeurig aftasten gebruikt hij de `nummers elf': twee kleine maar extra gevoelige uitsteeksels aan de onderkant van de ster. Uit eerder onderzoek van Catania bleek al dat deze nummers elf zwaar oververtegenwoordigd zijn in het hersengebied dat de informatie van het neuszintuig verwerkt. Ondanks hun kleine afmeting nemen ze daar een kwart van in beslag.

Ook bij mensen staat het tastzintuig (de huid) in verbinding met de sensorische hersenschors. Hoe belangrijker een stukje huid is voor het voelen, des te groter het hersenoppervlak waarmee het correspondeert. Een vierkante centimeter op de vingertoppen bijvoorbeeld, krijgt honderd keer meer hersenoppervlak tot zijn beschikking dan evenveel huid op de buik dat heeft.

Huid moet concurreren om de beperkte ruimte in het brein. Het is bekend dat intensief gebruik extra hersenruimte oplevert. Maar het is de vraag of die concurrentiestrijd genoeg is om zo'n gróót verschil te verklaren.

Catania heeft nu dus een tweede factor ontdekt. Tijdens de embryonale groei ontwikkelen de twee gevoelige tentakels zich het vroegst en zijn ze aanvankelijk ook het grootst, compleet met zintuigcellen, en functioneel. Ze leggen ook als eerste contact met de sensorische hersenschors en nemen daar een kwart van in beslag. Pas na de geboorte groeien de overige twintig uitsteeksels de nummers elf ver voorbij. Deze twee hebben zich dan al hun kwart toegeëigend, de rest kan slechts de resterende driekwart verdelen.

Het bedradingspatroon van de hersenen lijkt aldus in ieder geval gedeeltelijk afhankelijk te zijn van de volgorde waarin de lichaamsonderdelen zich in het embryo ontwikkelen. Waarschijnlijk geldt dit ook voor primaten, waartoe ook de mens behoort. Het netvlies van primaten heeft bijvoorbeeld in het midden een `gele vlek' waar het zicht het scherpst is. De gele vlek ontwikkelt zich als eerste en wordt in de hersenen oververtegenwoordigd.