Wcrolribbeltjes

Het had duizend maal meer voor de hand gelegen hier nu een beschouwing te houden over de procesvereenvoudiging op het Nederlandse spoor, aan te tonen, desnoods met een Brio-parcours, dat storingen zich minder makkelijk uitbreiden als men conducteurs en machinisten zoveel mogelijk rondom een enkel knooppunt geconcentreerd houdt, maar opeens lag de belangstelling bij het wc-papier.

De dotkom-besteldienst liet een boekje bezorgen dat al maanden geleden was aangevraagd en nu lag er een intrigerende beschrijving van proeven met rollen wc-papier op het bureau. Je moest wc-rollen laten vallen en met een stopwatch meten wanneer ze op de grond kwamen. En de uitkomst was verrassend.

Een goede gelegenheid dus om eens stil te staan bij de wc-rol an sich, want daarmee gaat het snel de verkeerde kant op, zonder dat iemand de afnemer naar zijn mening vraagt. De rol levert bij behoedzaam gebruik nog steeds 250 vel papier, maar dat is zo'n beetje het laatste houvast dat er is. De kwaliteit van het papier vertoont een vrijwel permanente evolutie, het is al zachtheid en meerlagigheid dat de klok slaat en zelfs het vertrouwde grauwe papier is nog maar een schaduw van het rauwe materiaal dat het vroeger was.

Waar het om gaat is dat de wc-papierfabrikant sinds enige tijd nopjes of ribbeltjes of hoe je ze noemen wilt op dat papier aanbrengt. Of dat speciale voordelen heeft is nog niet door de Consumentenbond onderzocht, waarschijnlijkt verhult het alleen het verlies van de oude papierdikte. Een nadeel heeft het zeker: sinds de nopjes er zijn is de breedte van het wc-papier niet meer wat het altijd was: op de kop af 10,0 cm, het is nu nog maar 9,7 cm. Drie procent van de papierbreedte is in het reliëf gaan zitten. Daarmee staat vast dat de nopjes pas achteraf in papierstroken van klassieke breedte worden geslagen. Het normalisatie-instituut heeft niets in de gaten.

De fabrikant brengt de nopjes aan op de binnenzijde van het papier. Misschien kon dat niet anders, misschien heeft hij er zorgvuldig over nagedacht. Dan is de vraag: hoe dacht hij dan. Heeft hij in een klassieke time-motion-studie geanalyseerd hoe het papier in de meeste gevallen wordt aangevat en losgescheurd en naar achteren gebracht? Of sloeg hij er maar een slag naar?

Aannemelijk is dat men terwille van de rechtshandige gebruiker de wc-rollen waar mogelijk links ophangt. De kans dat het papier dan net zó wordt beetgepakt dat de gladde kant op het vuil gaat is erg groot. De kwestie wordt hier niet in detail uitgewerkt, iedereen kan dat voor zichzelf nagaan.

Doorslaggevend is het antwoord op de vraag of het papier, na het losscheuren (waarbij het vaak wat raar in de hand ligt) nog wordt overgepakt, zoals dat gebeurt met de telefoonhoorn die rechts wordt opgenomen en naar het linker oor gaat omdat er ook nog met de rechterhand geschreven moet worden – de verklaring voor de beruchte telefoonsnoerknoop. Niemand die dat weet.

Nog doorslaggevender is de positie die de wc-rol inneemt in de wc-rolhouder. Daarover zijn, seint men digitaal, al veel sociologische beschouwingen ten beste gegeven. `t Schijnt dat Nederlandse vrouwen de rol liefst zó monteren dat hij zich dicht langs de muur afwikkelt, dat vinden zij netter. Mannen zouden voor het wat windgevoeliger alternatief kiezen dat het plaatje laat zien.

Het laatste, losse alternatief is hoe dan ook beter, zeker als een klassieke rolhouder in gebruik is met zo'n makkelijk scharnierende beugel die de rol onder invloed van zijn eigen gewicht tegen de muur laat rusten. In die positie ondervindt hij bij het scheurend trekken zoveel wrijvingsweerstand van de muur dat men de rol niet of nauwelijks met de andere hand hoeft tegen te houden om het papier langs de prefab-perforatie te laten scheuren. Daarvoor is, leerde een AW-verkenning, een trekkracht van zo'n 600 à 700 gram (formeel 6 à 7 newton) nodig. Dat betekent dat ook de wrijvingsweerstand langs de muur ongeveer 6 à 7 newton is, zolang men althans recht naar beneden trekt. Trekt men schuin naar de muur dan mag de wrijving minder zijn.

Van belang is dat de wrijving langs de muur bij de vrouwelijke montagevariant wel tien keer zo klein is en altijd tekort schiet voor eenhandig scheuren. Het is met een enkel proefje met wat losse gewichten of een veerbalans snel experimenteel aangetoond. De wc-rol en zijn houder lenen zich trouwens ook goed voor een meer theoretische behandeling van het probleem volgens de voorwaarden die de klassieke statica daaraan stelt. Zolang er geen beweging is geldt dat de vectorsom van alle krachten en van alle momenten (moment = `kracht maal arm') die op de constellatie werken nul moet zijn. Met dit houvast zijn makkelijk alle krachten die op de rol werken te berekenen. In een eerste benadering zou men de afmetingen van het kokertje in het midden kunnen verwaarlozen.

Daarmee zijn we terecht gekomen bij het mooie boekje `Why toast lands jelly-side down' (Princeton University Press, 1997) van de hoogleraar fysica Robert Ehrlich. Het boek behandelt 120 eenvoudige natuurkundeproeven die gedeeltelijk vooral didactisch van aard zijn en gedeeltelijk behoren tot de categorie die bekend is van de jaarlijkse wetenschapsquiz: physics is phun. Zoals de bekende boterham-kwestie waar de titel op doelt of de al even klassieke vraag of de koude koffiemelk zo snel mogelijk of pas op het laatste moment bij de koffie moet om die zo heet mogelijk binnen te krijgen.

In experiment 5.9 wordt voorgerekend hoe de valtijden zich verhouden van een wc-rol die pardoes naar beneden valt en een waarbij een slip van de papierstrook wordt vastgehouden, dus een die zich al vallend afwikkelt. De genoemde verhouding wordt bepaald door de verhouding tussen de diameter van het kokertje en die van de rol. Meestal is die 0,38. Binnenskamer levert dat een onbruikbaar tijdsverschil op van nog geen 0,2 seconde. Maar een rol met nog al zijn 250 velletjes is dertig meter lang: men kan hem dus ook vanaf een kerktoren laten vallen. En dan proberen te herleiden wat precies het verschil opwekt.

    • Karel Knip