Opstandingsverhaal moet worden gezien als legende

Veel mensen kunnen zich weinig tot niets voorstellen bij het opstandingsverhaal en keren derhalve de kerk de rug toe. Maar het zou juister zijn wanneer zij het gesprek met de hedendaagse theologie volhouden, meent C.A. ter Linden.

Ban de twijfel niet uit, twijfel zuivert', aldus een uitspraak van wijlen prof. Cobbenhagen, in leven hoogleraar economie aan de – toen nog – Tilburgse Hogeschool. Een uitspraak die ik graag wil beamen. Maar als het om theologische vraagstukken gaat, werkt twijfel niet altijd alleen zuiverend, hij kan ook omslaan in afwijzing van wat geschreven staat en geloofd wordt. Bijvoorbeeld dat Jezus uit de dood is opgestaan, zoals in de evangeliën staat geschreven. Velen in deze tijd kunnen zich bij de opstandingsverhalen niets meer denken. Ze haken mede daarom af en draaien hun kerk de rug toe.

Zo ook de oud-diplomaat Peter van Walsum die in zijn onlangs verschenen boek Verder met Nederland onder meer ingaat op zijn persoonlijke levensloop. Niet alleen het socialisme van zijn ouders, ook het christelijk geloof dat hij van huis had meegekregen, heeft hij op den duur moeten loslaten. Hij kon zich niet langer vinden in ,,het voor het christendom zo centrale geloof in de opstanding van Christus'', schrijft hij. Ook geloofde hij niet langer ,,dat hij veertig dagen daarna ten hemel was gevaren. Hoe meer ik daarover nadacht, hoe meer ik de combinatie van opstanding en hemelvaart als het schoolvoorbeeld van een legende begon te zien (...).''

Mij dunkt dat dit voor een modern en toekomstige gelovige ook de enige weg is: in deze verhalen zoiets als een legende te zien. Niet om ons van het geloof in de boodschap van deze verhalen te ontdoen, maar juist om het te behouden. Immers, legende betekent: dat wat in deze verhalen `gelezen moet worden'. Wat wij daarin hebben te hóren, te verstaan.

Het eerste dat ervoor pleit om de opstandingsverhalen als legenden te verstaan, is het uiteenlopende karakter ervan. Zo kent Paulus (circa 50 na Chr.), de eerste die over de betekenis van Jezus geschreven heeft, in zijn brief aan diens volgelingen in Corinthe (I Cor.15:3-8) nog geen verhaal van een leeg graf, maar spreekt hij over `verschijningen' van Jezus aan diens leerlingen en tenslotte aan hemzelf. Daarmee erkent Paulus te geloven dat God zich met de omgebrachte rabbi van Nazareth heeft vereenzelvigd, en hem in zijn hemelse heerlijkheid heeft opgenomen, vanwaar Jezus nu aan zijn volgelingen verschijnt.

Hierbij moet (nog) niet aan een lichamelijke opstanding gedacht worden. Voor Paulus zal het lichaam van Jezus zijn vergaan. Voor hem is de opstanding een `opstanding in de hemel': ,,Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt (...) De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel (...).'' Paulus kent de opgestane dus nog wel een nieuw soort `lichamelijkheid' toe. Men dacht zich in die dagen de hemel immers niet enkel als een geestelijke, maar ook als een ruimtelijk bijna aanwijsbare werkelijkheid: hoog boven de hemelkoepel die de vaste aarde omspande, woonde God. En wie in zijn heerlijkheid werd opgenomen, vertoefde daar.

Men kan zich afvragen of het verschijningen van Jezus zijn geweest die bij diens leerlingen het geloof in zijn (hemelse) opstanding hebben gewekt. Het is eerder andersom: het geloof in Jezus' opstanding inspireerde Paulus en de evangelisten tot allerlei verschijningsverhalen, om dit geloof te ondersteunen en te verbreiden. Ik ontleen die gedachte aan de Leidse nieuw-testamenticus prof.dr. H.J. de Jonge, die in zijn boek Waarlijk opgestaan! Een discussie over de opstanding van Jezus Christus deze stelling onderbouwt met treffende parallellen van deze verschijningsverhalen buíten het Nieuwe Testament.

Zo wordt van de stichter van de stad Rome, koning Romulus, verteld dat, toen de koning op het campus Martius het leger monsterde, de hemel verduisterde. Toen het weer licht werd, was de koning verdwenen. Om de gedachte aan moord weg te nemen, verkondigde Proculus Julius aan het volk dat hij door de goden in de hemel was opgenomen: ,,Romulus, de vader van onze stad, is vandaag bij het eerste daglicht plotseling uit de hemel neergedaald, en aan mij verschenen. Verstijfd van schrik en ontsteld bleef ik staan. Toen bad ik dat hij mij zou vergunnen hem van nabij te aanschouwen. Maar hij zei: `Ga heen, bericht de Romeinen, dat aldus de wil van de hemel is: dat mijn Rome het hoofd van de wereld zal zijn (...).' Na deze woorden verdween Romulus ten hemel.'' (Livius I:16).

Het lijkt mij niet onmogelijk dat het in Jezus' volgelingen ontwaakte besef dat God zijn kant had gekozen en hem in de hemel had opgenomen, soms geleid heeft tot visioenen waarin zij hem voor zich zagen – visioenen die later in een verschijningsverhaal zijn uitgewerkt. Toch is het veeleer andersom: eerst is er het ontwakend geloof dat de geest van een om zijn geloof omgebrachte gestorvene leeft bij God. Het verschijningsverhaal komt daaruit voort en wordt verteld om dat geloof te verbreiden.

Wat hier over de verschijningsverhalen is gezegd, geldt ook voor het later ontstane motief van het lege graf. Net als de verschijningen, moet het thema van het lege graf worden verstaan als een door mensen zelf gevonden beeld om aan te duiden wat men ten diepste geloofde: dat God deze Jezus vanuit de dood in zijn heerlijkheid had opgenomen. Marcus (circa 65/75 na Chr.) is de eerste die ermee komt. De evangelisten na hem namen het motief over en werkten het, ieder op zijn wijze, nader uit. Marcus wist – ik ontleen dit aan De Jonge – dat dit beeld indruk moest maken bij vele Griekstalige niet-joodse lezers, die in de hellenistische cultuur van die dagen met een tenhemelopneming volop vertrouwd waren. Ook van Heracles, Romulus en Aeneas wordt immers verteld, dat hun lichaam nergens meer gevonden werd.

Wat nu is de eigenlijke boodschap van de verhalen over de opstanding van Jezus? Dat God achter het leven van deze unieke getuige van zijn Woord is gaan staan en het voor hem heeft opgenomen. In het wereldbeeld van die dagen: dat God hem in zijn hemel heeft opgenomen. Er waren weliswaar meer martelaren die om het geloof werden omgebracht, en van wie men geloofde dat zij in de hemel werden opgenomen (zie bijvoorbeeld het apocriefe geschrift II Makkabeeën, hoofdstuk 7, in de katholieke bijbel nog te vinden). Maar Jezus stak boven hen allen uit door de wijze waarop hij de Schriften uitlegde, de kern ervan blootlegde en met zijn leven en sterven belichaamde. Voor zijn volgelingen werd hij een nieuwe Mozes, een tweede David, een `geestelijke' leidsman – zó dat zij in hem de in die dagen sterk levende verwachting vervuld zagen dat hij de beloofde Messias, de redder van het volk en van de gehele wereld zou zijn.

In de geloofsbeleving van zijn volgelingen zit Jezus – alweer een beeld – in de hemel aan de `rechterhand van God'. Hij is, om zo te zeggen, Gods eerste adviseur. Hij houdt daar geen hemelse siësta (Barnard), hij heeft nog veel werk te doen: deze wereld naar haar bestemming te helpen brengen. Dát belijdt naar mijn gevoel de kerk als zij van deze dode zegt: `Hij lééft'. Dat betekent: God leidt de wereld verder in de geest van deze Mens. Anders gezegd: de ware toekomst van de wereld ligt in het verlengde van de manier waarop Jezus de aan Israël toevertrouwde woorden van God heeft uitgelegd en verdiept, en zijn volk heeft voorgeleefd. Het geloof in de opstanding van Jezus is daarmee onmiddellijk een appèl tot mensen om zich in hun leven door de geest van de Opgestane te laten leiden.

Mensen die, zoals Van Walsum, dusdanig vasthouden aan de letterlijke interpretatie van de bijbelse getuigenissen en die vervolgens verwerpen, ontkomen aan de confrontatie met hun eigenlijke boodschap: de vraag naar de betekenis van Jezus van Nazareth voor de geschiedenis der mensen en – dus ook – voor ons persoonlijk leven. Het geloof in Jezus' opstanding is, ook voor de meest orthodoxen, nooit zonder meer `geloof in Jezus' (lichamelijke) opstanding', maar: het vertrouwen dat de geest van Jezus – die zozeer de geest van God ademde – geroepen was deze aarde te vervullen, een vertrouwen waaraan christenen in de meest benarde situaties een enorme geloofsmoed hebben ontleend.

Ik ben hier wel kritisch, maar ik ben mij er tegelijk van bewust dat wij predikanten en priesters – zo wij al zelf deze ontwikkelingen in ons denken verwerken – daar in prediking of catechese te zeer over zwijgen. Hierdoor wordt de kerk zelf mede oorzaak van kerkverlating en geloofsverlies.

In zijn boek zegt Van Walsum ook `iets tegen vrijzinnigheid' te hebben. ,,Het heeft naar mijn gevoel iets te maken met respect voor al die generaties die in het verleden met het geloof hebben geworsteld, en ook voor de hedendaagse kerkgangers die ook nu nog in de vergeving der zonden en de opstanding der doden geloven. Ik heb het gevoel dat ik die mensen minder kwets door te zeggen dat ik tot mijn spijt niet meer kan geloven dan door minzaam te beweren dat alles voortaan overdrachtelijk moet worden uitgelegd'', schrijft hij.

Het lijkt alsof hij, en niet alleen hij, wil zeggen: voor het geloof van mijn ouders, en niet enkel van hen, lijkt vrijzinnigheid verraad aan het geloof. Dat wat wij niet meer kunnen meemaken, verklaren wij tot legenden, en leven zo verder met een waterig aftreksel van het geloof. Daar pas ik voor, dan maar liever erkennen dat ik niet meer gelovig ben.

Maar goede theologie in deze tijd is ermee gediend om de metaforen te herkennen die de schrijvers destijds als voertuig voor hun boodschap kozen. Het zou daarom juister zijn – en voor ons allen het zinvolste – als Van Walsum en zij die zich in zijn opvattingen herkennen, het gesprek met de hedendaagse theologie, die in zekere zin per definitie altijd eerst vrijzinnig is, zouden volhouden teneinde antwoord te geven op de vraag van die kant wat de werkelijke boodschap èn de uitnodiging van het evangelie van Jezus' opstanding is.

Drs. C.A. ter Linden is emeritus-predikant van de Kloosterkerk in Den Haag.