ONTWAAKT UIT EEN ROES VAN GELUK

In de wereldbekerfinale voor springruiters in Gothenburg ontbreekt dit weekeinde de olympisch kampioen. Jeroen Dubbeldam (morgen wordt hij 28) spaart De Sjiem voor het Europees kampioenschap, eind juni op Papendal. Omdat een paard niet over de kop moet worden gejaagd.

In Twente is het schijnbaar nog geen lente. Maar de waterkou van Weerselo krijgt geen vat op stal Egano, waar Jeroen Dubbeldam voor een warme ontvangst zorgt. De ruiter mist de Zweedse schijnwerpers geenszins. Hij streeft een hoger doel na: de Olympische Spelen van 2004 in Athene.

Over drie jaar is De Sjiem 16 jaar. Nog niet te oud om het kunststukje van Sydney te herhalen, onder voorwaarde dat het beest niet wekelijks de piste in wordt gejaagd. Dubbeldam waakt scherp over de arbeid-rust-verhouding van de schimmelruin.

Voor zijn absentie in Gothenburg heeft Dubbeldam dan ook een plausibele verklaring. ,,Na de Spelen wilde ik om zakelijke reden graag ingaan op de interessante aanbiedingen. Ik heb er voor gekozen de wereldbekerwedstrijden grotendeels te laten schieten, zodat ik me ook niet heb kunnen plaatsen voor de finale. Het is voor een paard bovendien van eminent belang een seizoen goed in te delen. Om die reden begrijp ik Michael Boogerd ook zo goed, toen ik hem onlangs op de televisie hoorde uitleggen waarom hij sommige wielerkoersen laat schieten. Die woorden klonken me als muziek in de oren.''

Als zakenman is de springruiter allerminst vies van geld verdienen, maar het hart van de sportman Dubbeldam klopt nog altijd sneller. De Tukker hecht sterk aan – wat hij noemt – goed horsemanship. En wel op een zo natuurlijk mogelijke manier. De pil en de spuit blijven buiten de muren van stal Egano. Tenzij het toegestane middelen zijn, want ook toppaarden springen tegenwoordig niet op een `boterham met pindakaas' over oxers en muren. Naast de dagelijkse portie haver nuttigt De Sjiem op zijn tijd graag wat vitamines en trekt hij zijn neus niet op voor een bak krachtvoer.

Van doping zegt Dubbeldam zich echter verre te houden, ook al sijpelen er in de pers steeds vaker berichten door over stimulantia in de stallen. Maar niet in Weerselo, bezweert de olympisch kampioen, die pas tijdens de Spelen voor het eerst zelf het ritueel van een dopingcontrole moest ondergaan. Niet zonder vrees overigens, want Dubbeldam had de avond voor de olympische finale een slaaptabletje genomen. Om de volgende ochtend in redelijke paniek te ontwaken. ,,Ik had me geen moment gerealiseerd, dat er verboden stoffen in het pilletje hadden kunnen zitten. Voor de wedstrijd heb ik de Nederlandse teamarts Frits Kessel op de hoogte gesteld. Hij stelde me gerust; het tabletje kon geen kwaad. Het zal je gebeuren, dat je in de belangrijkste wedstrijd van je carrière positief wordt bevonden. Daar had ik niet aan moeten denken.''

Uiteindelijk was in Sydney alles positief aan Dubbeldam. De gouden medaille bracht hem in een roes van gelukzaligheid en veranderde de nuchtere Hollander in een emotioneel mens, die in Sydney meer tranen plengde dan hij in zijn hele leven daarvoor had gedaan. De ruiter begrijpt nog steeds niet wat er toen met hem gebeurde. Steeds als hij de beelden van het tranendal terugziet, geneert hij zich een beetje. ,,Ik herken mezelf er absoluut niet in, zo ben ik helemaal niet. Het moet dat olympische gevoel zijn geweest, dat was heel speciaal. En dat heeft schijnbaar iets met me gedaan. Het overkwam me gewoon.''

Op zoek naar een rationele verklaring komt Dubbeldam met de veronderstelling dat het een ontlading was na alle sportieve teleurstellingen met De Sjiem. Niet dat het tot de Spelen slecht ging, integendeel, maar de grote overwinning bleef maar uit. Totdat in Sydney alles klopte en voor Dubbeldam het Wilhelmus werd gespeeld. Hij was in één klap een grote meneer in de paardensport. Goud op de Spelen: hippisch het hoogst haalbare.

En dan te bedenken dat Dubbeldam als jongetje zich in het geheel niet interesseerde voor paarden. Hoogst opmerkelijk, omdat hij tussen de edele viervoeters opgroeide. Vader Dubbeldam bestierde namelijk een manege in Zwolle. ,,Hoewel ik elke dag door de stal moest, deden die beesten me niets.''

Dubbeldam voetbalde, en niet zo slecht ook. Bij de amateursclubs HTC en Berkum was hij een veel scorende spits, die zelfs werd uitgenodigd voor districtsjeugdselecties. De doorbraak op de groene mat bleef uit, omdat het Zwolse ventje op een dag wél op een paard ging zitten. Hij was meteen verkocht. ,,Ik deed het eigenlijk om sociale redenen. Vriendjes wilden rijden en mijn zusje reed al. Dan moet je zelf ook maar een keer op zo'n knol klimmen, niet?''

Eenmaal te paard, maakte de onverschilligheid al spoedig plaats voor passie. Dubbeldam besloot springruiter te worden en liet zich door zijn vader stallen bij zakenpartners in Zwitserland. Eerst bij Gerhard Etter en vervolgens bij de Willy Mellinger, waar Dubbeldam zijns inziens de basis voor zijn carrière heeft gelegd. ,,Thuis hadden we paarden voornamelijk voor de handel. Wist ik veel van de springsport? In Zwitserland heb ik die stiel geleerd. Het ging er daar zeer professioneel aan toe. Ik had al snel in de gaten dat je voor een succesvolle springstal zowel een goede ruiter als een goede handelaar moet zijn. Van de concoursen alleen kun je niet leven.''

Indachtig die levensles runde Dubbeldam de afgelopen twee jaar de stal Egano van zijn schoonvader Bennie Holtkamp. Het bedrijf is vernoemd naar het paard waarmee Jos Lansink in 1992 tijdens de Olympische Spelen in Barcelona, samen met Jan Tops en Piet Raymakers, goud in de landenwedstrijd won. Egano was en is eigendom van Holtkamp. Het vermaarde springpaard geniet nu van zijn oude dag. Waarmee Dubbeldam op zijn bedrijf in het unieke bezit is van twee gouden springpaarden.

Inmiddels heeft de olympisch kampioen van Sydney besloten stal Egano in eigen beheer te nemen. Hij hoopt binnen enkele weken de transactie af te ronden. Vrees voor sportieve repercussies heeft Dubbeldamp niet. Hij heeft zich er de afgelopen jaren van vergewist, dat hij sport en bedrijf kan combineren. De test is geslaagd.

Zijn olympische titel heeft de stap vergemakkelijkt, want voor een meneer met een gouden medaille gaan nu eenmaal wat sneller deuren en portemonnees open. En het effect van Sydney is nog lang niet voorbij. Wekelijks ontvangt Dubbeldam uitnodigingen om openingen te verrichten of feesten en festiviteiten bij te wonen. De pers heeft hem evenmin in de categorie `vergane glorie' opgeborgen, want de verzoeken om interviews blijven binnenstromen. Deze week voor de krant en volgende week staat er weer een televisieploeg op het erf. En Dubbeldam handelt zijn afspraken zelf af. Het is hem niet in de bol geslagen. En dat wil hij graag zo houden, want de olympisch kampioen houdt niet van opsmuk. Hij huldigt het adagium dat gewoon doen een deugd is.

Het pronkstuk van stal Egano is vanzelfsprekend De Sjiem, de weerbarstige schimmel die alleen met Dubbeldam op zijn rug in het gareel is te krijgen. Maar aan de sublimatie van mens en dier zijn vele wanhopige momenten vooraf gegaan. Maar het was liefde op het eerste gezicht. Vanaf het moment dat Dubbeldam de schimmel op een concours in Meppel in actie zag, was hij onder de indruk van diens springvermogen.

Bij de tweede kennismaking, tijdens een concours in Marienheem in gezelschap van zijn schoonvader, werd tot de koop besloten. ,,We hadden afgesproken, dat als we ooit een toppaard zouden tegenkomen, we die zouden aanschaffen. In De Sjiem herkenden we beiden die bijzondere kwaliteiten, al had het proefrijden meer weg van een rodeo. Man, wat ging het beest tekeer. Als ik toen niet had geweten dat de De Sjiem fantastisch kon springen, was de koop niet doorgegaan.''

Voor een paar ton verhuisde De Sjiem van zijn Utrechtse eigenaar Van Vulpen naar Twente, waar Dubbeldam aan een periode van grote moedeloosheid begon. Het enige leuke aan het paard vond hij de naam. De Sjiem is Utrechts voor schimmel. Op een of andere manier klonk hem dat komisch in de oren. Maar verder dreef de schimmel de ruiter menigmaal tot wanhoop.

,,Ik heb heel lang gedacht: dit wordt nooit wat'', herinnert Dubbeldam zich het moeizame begin met de ruin. Maar de ruiter zette door, bleef streng en kreeg het paard uiteindelijk in het gareel. ,,De Sjiem was gewend om zijn gang te gaan, maar daar kreeg-ie bij mij de kans niet voor. Ik gaf niet toe en die aanpak beviel hem allerminst. En maar steigeren en bokken. Er waren dagen dat ik dacht: ik stop ermee, dit is onbegonnen werk. Pas na een jaar kwam de omslag. En vanaf dat moment kwamen de successen.''

Een goede ruiter herken je volgens Dubbelman aan zijn training. En zonder zichzelf op de borst te kloppen, dicht hij zich die kwaliteiten toe. Dubbeldam: ,,In de top kan iedere ruiter goed met een paard omgaan. Maar het verschil wordt thuis in de manege gemaakt. Een paard blijft een dier dat niet kan zeggen hoe hij zich voelt. Dat moeten wij ruiters aanvoelen. Wanneer heeft het paard pijn, wanneer verzuurt het, de herkenning van dergelijke zaken bepaalt uiteindelijk de kwaliteit van de combinatie.''

Dubbeldam praat tegenwoordig met tederheid over het paard, dat in de stal bepaald niet de uitstraling van een olympisch kampioen bezit. Maar de klasse van De Sjiem komt pas tot uiting als het in de schijnwerpers staat, zodra er prestaties worden verlangd. En in Sydney had Dubbeldam het grote voordeel dat hij drie weken onafgebroken alle aandacht aan de schimmel kon besteden. ,,Normaal stap je tijdens een concours van het ene op het andere paard, dan heb je daar geen tijd voor. Maar door de lange quarantainetijd en de verre reis waren De Sjiem en ik in Australie alleen op elkaar aangewezen. We hadden al een goede band, maar die is in die periode nog sterker geworden. Vanaf onze aankomst in Sydney ging het geweldig. Ik heb me om die reden vanaf het begin een van de kanshebbers gevoeld, ook al gold dat voor de buitenwereld niet.'

Hoe bijzonder het gezelschap is waar Dubbeldam nu deel van uitmaakt, realiseerde hij zich bij terugkeer uit Australië. Toen lag er een kaartje in de bus van de Fransman Pierre Durand, die in 1988 tijdens de Olympische Spelen in Seoul de gouden medaille won. De tekst was even kort als veelzeggend: `Welcome in the club.'