Metafysica

Haar naam was niet Sharmila, maar dat zou me niet verbaasd hebben. Haar ouders kwamen uit een ver land, net als de andere veertig leerlingen van de IMC Weekendschool. Wat mij wel compleet verraste, was haar vraag. Maar laat me eerst even uitleggen wat ik daar te doen had, die zondag in de Bijlmer.

Iedereen die niet totaal wereldvreemd is, weet dat het voor kinderen niet pluis is in Amsterdam-Zuidoost. Terwijl de wereldvreemden zich vastkletsen in hun politieke vooroordelen, is er een kleine groep realisten die het motto `niet zwetsen, maar poetsen' aanhangt. Tot die groep behoren de mensen van de IMC Weekendschool en hun sponsors. Heleen Terwijn, bijgestaan door de andere vrijwilligers, haalt kinderen uit de middengroepen van de basisschool naar het Amsterdams Medisch Centrum om daar iedere zondag gedurende een uur of vier iets extra's te leren. Een cursus duurt vier weken, waarin de leerlingen horen over (en vooral meedoen aan) onderwerpen als het recht, geneeskunde, filmmaken – het hele jaar door.

Verleden jaar is daar de sterrenkunde bijgekomen. Zoals in heel stads-Nederland valt er in Amsterdam bitter weinig te zien aan de hemel, maar de computer is niet voor niets uitgevonden. En zo trek ik er een paar zondagen op uit (samen met vrijwilligers van de Jongerenwerkgroep Sterrenkunde, gesteund door Govert Schilling en het Artis Planetarium) om duidelijk te maken dat sterrenkunde prachtig en begrijpelijk is, en met de stiekeme hoop dat die veertig kinderen uit twintig landen onwillekeurig zullen beseffen dat grenzen in het Heelal niet bestaan.

Elke les is een evenwicht tussen iets verklaren en iets laten zien. Ik had er geen flauw benul van waar hier de lijn moest worden getrokken, maar gezien de leeftijd van de kinderen (plus het feit dat de lessen op zondag zijn) leek het mij het beste om ze vooral veel te laten bewegen. Natuurlijk is er een massa geweld in het Heelal, maar van de ontploffing van een supernova leert een basisscholier niet zoveel – hoe welkom zo'n enorme klap ook zou zijn in een groep die tuk is op videospelletjes. Dus deed ik het rustiger aan, en gingen de lessen over een ander en meer handelbaar soort spektakel: de kosmische botsingen tussen grote en kleine planeten. De enorme vlekken op de Maan, de gebeukte vorm van de rondwentelende asteroïde Eros, de gekartelde sneeuwkraters van Callisto, en meer van dat soort astro-schade die het bewijs zijn van zulke bombardementen.

Dus gingen we, na het plaatjeskijken, bombarderen. Ik had van pvc-rioolbuis, een plankje, een wasknijper en een baksteen een kleine blijde gemaakt, van het soort dat populair was voor de uitvinding van het buskruit. Van kleurige boetseerklei konden de leerlingen projectielen maken, en die met tien van die blijdes door de klas schieten. Al gauw merkten zij op, dat dikke bollen klei wel heel stoer lijken, maar niet ver komen. Het verband tussen massa en worp was zo duidelijk, dat ik mijn speciaal voor dat doel meegebrachte honkbalpet op de grond kon leggen en de leerlingen uitdagen er in te schieten. En jawel, de fysici-in-de-dop begonnen vanzelf projectielen te maken die precies de juiste massa hadden. Dat bevestigde het motto van de lessen: Als je weet wat je doet, win je vaker.

Daarna werd de proef gekoppeld aan ons eigen bestaan: af en toe wordt ook de Aarde geraakt door zo'n brok steen. Ik had een computersimulatie meegenomen waarop te zien is wat er met het eiland Manhattan gebeurt als daar voor de kust een asteroïde van een paar kilometer grootte inslaat. Pats, heel New York weggevaagd, een vloedgolf van 50 kilometer hoogte raast over het Amerikaanse vasteland. Ik liet de plaats zien van de inslag van de Chixculub krater, en vertelde over het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden.

Alles verliep best, tot aan de nabespreking, waar ik omringd was door negen- en tienjarigen, met op de muur de computerprojectie van baanbewegingen en botsingen die mogelijk het einde van Mars-sauriërs inluidden. Toen klonk, in een toevallige stilte, de heldere stem van Sharmila:

``Jij weet alles. Wie was eerder, Adam en Eva of de dinosauriërs?''

Juist ja. Tien dingen raasden tegelijk door mijn hoofd, waarvan de belangrijkste: veel van deze kinderen komen uit gezinnen van allerlei fundamentalistische geloofssoorten. Oppassen dus. Maar het zou niet lukken er overheen te kletsen, want reeds werden de anderen stiller dan ze de hele dag geweest waren. Hoe zou die gekke sterrenkijker zich hieruit redden? Dat vroeg ik mij ook af. Hoe maak je aan zo'n groep duidelijk dat je die vraag te vals vindt om te beantwoorden? Hoe verberg je dat je weet dat de vraagstelster die truc niet van zichzelf had, maar een haarkloverij uit gelovige kring doorvertelde?

``Daar geef ik geen antwoord op.''

``Maar je moet. Wie was eerder, Adam en Eva of de dinosauriërs?''

De lieverdjes op het schellinkje begon zich te roeren. `Antwoord geven!' `Ja, zeggen!' De kring had zich inmiddels gesloten, ontsnappen was niet meer mogelijk.

``Sorry, ik geef alleen maar antwoord op eerlijke vragen.''

``Wat is een eerlijke vraag?''

Daar zat ik dan, om half drie 's zondagsmiddags in Amsterdam Zuidoost, de baanbewegingen van een drievoudige ster op de muur geprojecteerd door mijn trouwe PowerBook, en ik verstrikt in de metafysica door een plukje jongvolk. Had ik nu maar opgelet op het college Grondslagen van de Wetenschap! Tijd om na te denken was er niet, gejoel bewees dat de anderen het gevecht wilden opjutten, en dit wel een heel goede tegenvraag vonden. Terecht, want de prof zat even voor aap. Temidden van de algemene hilariteit speelden allerlei voorbeelden door mijn hoofd, varianten op het aloude `Wat was er voor de Oerknal', `Is een elektron een deeltje of een golf', en Govert Schillings prachtige `Wat is de kleur van woensdag?'

``Vind je het zelf een eerlijke vraag?''

``Nou, geef nou antwoord. Wie was er eerder?''

``Het is een valse vraag omdat er of in zit.''

``Waarom?''

``Omdat je dan niet met ja of nee kan antwoorden. Omdat je dan moet kiezen uit dingen die een ander je in de mond legt. Ben je een dief of een moordenaar? Ben je gek of dom? Omdat de juiste keuze er niet bij zit.'' Zelfs al was ik van plan geweest de tegenpartij onder te sneeuwen, dan zou dat niet zijn gelukt. Of ze die dag veel van fysica hadden geleerd weet ik niet, maar de metafysica ging al heel aardig.

``Ik weet het antwoord wel.''

``Fijn. Wie was er eerder, Sinterklaas of de Kerstman?''

Sharmila antwoordde niet. Toch had ik geprobeerd iets te vragen met een mogelijk antwoord, want Sinterklaas was eerder; Santa Claus is Amerikaans plagiaat, zoals de platvloerse tekenaars van Disney het rafelige oerbeeld van Winnie-the-Pooh gladstreken tot een gelikte beer waar alleen een geldwolf houvast aan heeft. Maar helemaal eerlijk is de vraag niet, want ik mocht niet verwachten dat een meisje wier familie van een ander continent komt, op de hoogte is van westerse culturele finesses. Dus deed ik er een schepje op:

``Wie was er eerder, Sinterklaas of de Paashaas?''

``De Paashaas bestaat niet!''

Grote hilariteit bij de koters die ons omsingeld hielden. Zo klein als ze waren, hadden ze meteen in de gaten dat Sharmila in een val was getrapt van precies hetzelfde model als die ze mij had voorgezet. Het was een schitterend moment, want ook zijzelf snapte het direct, en dat maakte ons tot broeder en zuster. In plaats van kwaad te worden, moest ze breeduit lachen, en ging er weer eens goed voor zitten. In de volgende minuten praatten we verder over eerlijke en valse vragen, en over de manier waarop de wetenschapper vragen aan de Natuur stelt. ``Dat is nou het moeilijkste van de wetenschap. Als je een valse vraag stelt, krijg je een vals antwoord.''

Tot slot stapte een jongen naar voren – ik schat hem op tien jaar, en zijn familie op Pakistan – en bedankte mij plechtig namens de groep. Ik ging uit om les te geven, en kreeg zelf een lesje, het mooiste cadeau dat een leerling je kan brengen. Terwijl ik mijn spullen pakte, kwam de allerslimste van de klas (in een smetteloos witte hoofddoek omlijnd met dun gouddraad) nog even langs om te zeggen dat ze de proeven en de discussie zo leuk vond. Die zou ik te zijner tijd best als promovendus willen hebben, maar zij wilde rechter worden. Gelukkig het land dat zulke intelligente rechters heeft.