Laat de biggen spelen

De Europese regelgeving hanteert nog een ouderwetse opvatting van dierenwelzijn. Varkens in een klein hok kunnen best tevreden zijn, als ze maar kunnen wroeten.

Hoe lekker voelt een hoogzwangere zeug zich, staande op een betonnen vloer terwijl ze dagenlang vastgeklemd zit in een stalen frame? ``Ze scoort erg laag op mijn welzijnsmeetlat'', zegt dierenarts en filosoof drs. Marc Bracke. Als eerste in Nederland heeft hij een model ontwikkeld om het welzijn van dieren met een cijfer weer te geven. Aanstaande dinsdag hoopt hij te promoveren op zijn onderzoek, dat hij aan de universiteiten van Utrecht en Wageningen uitvoerde.

In de meeste typen varkensstallen valt er wat betreft welzijn nog veel te verbeteren, zo blijkt uit Brackes onderzoek. Van de vijftien typen die hij testte, scoorden er negen onder de 5. ``Hoewel dat geen magische grens is'', zegt de promovendus. ``Het model doet geen uitspraken over wat moreel of politiek aanvaardbaar is.'' Brackes meetlat loopt op van het cijfer 0 (extreem laag welzijn) naar 10 (prima welzijn). Het nu nog veelgebruikte ligboxsysteem scoorde zelfs beneden de 1. Hierbij staan fokzeugen – waarvan er vorig jaar in Nederland bijna een miljoen waren allemaal apart in een krap hok. ``Terwijl varkens sociale dieren zijn'', zegt Bracke, die inmiddels bij het Instituut voor dierhouderij en diergezondheid in Lelystad werkt. De dieren kunnen amper bewegen omdat ze via een ketting vastgebonden zijn, of in een stalen kooi staan.

Bracke betreurt de uitbraak van mond- en klauwzeer in Nederland, hoewel hij er meteen op wijst dat het massaal ruimen van dieren weinig met welzijn te maken heeft. ``Als ze snel worden gedood, hebben ze weinig te lijden.'' Toch zijn het juist de beelden van geruimde schapen en koeien die de vraag naar een meer diervriendelijke landbouw hebben aangewakkerd. ``We gaan ons in Europa steeds vaker de vraag stellen hoe wij met de koeien, varkens en kippen moeten omgaan'', zegt Bracke. ``Zien we ze als gebruiksvoorwerp, of als levende wezens met hun eigen wensen?''

Als voorbeeld noemt Bracke weer de fokzeugen. In de intensieve varkenshouderij gaan ze gemiddeld slechts 2,5 jaar mee, terwijl de dieren best tien jaar oud kunnen worden. Door de hoge productie-eisen vallen veel dieren echter vroegtijdig uit. Een zeug moet bij voorkeur twee keer per jaar ten minste tien jongen werpen. Van elke 100 fokzeugen voert de boer er jaarlijks 20 tot 30 af omdat ze onvoldoende produceren. Nog eens 12 tot 15 verdwijnen vanwege een ziekte. Ze lopen infecties op of zijn kreupel. Volgens Bracke komt dat in de ogen van de burger kil en wreed over. ``Toch is een kort leven niet per definitie slecht voor het welzijn, als dat een gelukkig leven was'', aldus de promovendus die in zijn model in totaal 37 variabelen verwerkte. Daaronder vallen onder andere de ruimte per dier, de mogelijkheid tot sociaal contact, de aanwezigheid van voer, de blootstelling aan kou, de beschikbaarheid van water, de luchtkwaliteit en de mogelijkheid om een nest te bouwen. De keuze voor de 37 gekozen variabelen baseerde hij op de wetenschappelijke literatuur en op interviews die hij hield met 30 binnen- en buitenlandse experts op het gebied van dierenwelzijn. De score van alle variabelen samen levert uiteindelijk een getal op tussen de 0 en de 10.

Boeren kunnen zijn model nog niet gebruiken, zegt Bracke. Daarvoor is het nog te ingewikkeld. Bovendien verdient het volgens hem nog verfijning. ``Welzijn blijft een moeilijk definieerbaar begrip'', zegt prof.dr. Berry Spruijt, die werkt bij de hoofdafdeling Dier en maatschappij van de faculteit Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Volgens Spruijt, een van de promotoren van Bracke, heeft het neurobiologisch en ethologisch onderzoek van de laatste decennia veel duidelijk gemaakt over welzijn bij dieren. ``Onder andere dat andere zoogdieren dan mensen ook een emotioneel spectrum hebben. Ze kennen depressie, angst, opwinding en plezier. En in de basis is dat emotionele systeem identiek bij alle zoogdieren. Bij stress spelen stoffen als cortisol een rol. Bij beloning gaat het om dopamine en opiaten.''

Spruijt betreurt het dat de Europese regelgeving nog steeds een ouderwetse opvatting over welzijn hanteert. Het wordt gezien als de afwezigheid van negatieve symptomen. Een dier mag geen dorst lijden, het mag niet ziek worden en het moet vrij zijn van angst en chronische stress. ``Maar mensen die depressief zijn drinken en eten nog steeds. Ze lijken fysiek in orde. Toch voelen ze zich miserabel'', aldus Spruijt. De hoogleraar verstaat onder welzijn iets heel anders. En met hem inmiddels vele anderen. ``Het is de aanwezigheid van iets leuks'', zegt Spruijt. Een varken doet niks liever dan wroeten, een kip wil scharrelen en stofbaden nemen. Volgens Spruijt heeft dat zijn reden. De evolutie heeft ervoor gezorgd dat ze die dingen prettig vinden. Het verhoogt hun overlevingskans. Wroeten levert namelijk voer op, net als scharrelen. En met een stofbad houdt je parasieten van je lijf. ``Om dezelfde reden vinden we seks zo lekker. Zodra we het gaan verafschuwen sterven we uit'', zegt Spruijt.

Een goed welzijn kenmerkt zich volgens Spruijt door het zoeken, en vinden van plezier. De beleving van plezier is daarbij afhankelijk van de situatie. Spruijt: ``Als je al zes dagen achter elkaar biefstuk hebt gegeten, hoef je de zevende dag niet meer.'' Aan de andere kant wordt een dier juist gevoeliger voor beloning, als het blootstaat aan stress. Dat blijkt uit onderzoek aan ratten, zo vertelt Spruijt. Stel, je zet een fles suikerwater bij een rat die al twee dagen alleen in een kooi zit. En je zet ook een fles suikerwater bij twee ratten die al een tijdje bij elkaar zitten. De eenzame rat zal twee keer zoveel drinken als de andere. ``Ratten zijn sociale dieren, net als varkens'', zegt Spruijt. ``Voor een rat levert eenzaamheid stress op. Dat wil hij compenseren met iets lekkers.'' Zo is een rat in gezelschap ook minder gevoelig voor pijn dan een eenzame rat. Stress beïnvloedt de pijndrempel.

Belangrijk, zegt Spruijt, is het feit dat zoogdieren hun eigen situatie kunnen inschatten. Ze beseffen wanneer ze zich prettig, opgewonden, depressief of angstig voelen. Ook dat blijkt uit onderzoek aan onder andere ratten. ``Bovendien zijn zoogdieren ongelooflijk efficiënt in de keuzes om in hun behoeftes te voorzien'', zegt hij. ``Als je honger hebt zal je meer werk willen verzetten voor een boterham dan wanneer je net zes ijsjes op hebt.''

Helaas hebben intensief gehouden varkens, kippen, kalveren, konijnen, nertsen, weinig te kiezen. Kippen zitten met zijn duizenden op elkaar gepakt. Scharrelen of stofbaden, gedrag waar ze veel plezier aan beleven, kunnen ze niet. Omdat ze geen goeie compensatie vinden voor hun stressvolle situatie, zoeken ze een surrogaat. Ze gaan hun veren poetsen. Dag in, dag uit. ``Maar na een paar dagen is daar de lol ook van af'', zegt Spruijt. ``Dus gaan ze vervolgens elkaars veren maar uitrukken. Maar ook dat is een bodemloze put.''

Ook varkens lijden vaak onder chronische stress. Fokzeugen zijn apart gehuisvest en kunnen amper bewegen. Biggen groeiden tot voor kort op in groepen die vaak van samenstelling veranderden, terwijl ze normaal in stabiele groepen leven waarvan de hiërarchie vaststaat. Door de vele veranderingen moesten biggen voortdurend vechten om iedere keer weer hun positie in de hiërarchie te bepalen. Volgens Bracke is dat beleid inmiddels aangepast. Biggen moeten in stabiele groepen opgroeien. Toch hebben de dieren, net als bij de legbatterijen, weinig mogelijkheden om stress te compenseren. Op een betonnen vloer is het lastig wroeten. Biggen hebben ook weinig ruimte om te spelen, terwijl ze dat erg graag doen.

Vanaf 2008 moeten Nederlandse varkenshouders voldoen aan nieuwe regels. Ze moeten hun fokzeugen vanaf dat moment verplicht in groepen huisvesten. Voor de biggen moet er meer ruimte komen, onder andere om te kunnen spelen. Daarnaast maakt een deel van de roostervloeren plaats voor vaste vloeren. De nieuwe zeugenstallen scoren volgens Bracke ongeveer een 5 op zijn meetlat.

Ook voor de kippen gloort er verbetering. Vanaf 2012 zijn legbatterijen in Europa verboden. De minimale oppervlakte per kip moet stijgen van 450 naar 750 vierkante centimeter. Elke kip krijgt bovendien een beschut legnest. Maar scharrelen kunnen ze nog steeds niet.

Volgens de Wageningse ethologe dr. Francien de Jonge is een score van 5 nog steeds veel te laag. En een oppervlakte van 750 vierkante centimeter per kip is belachelijk weinig, schreef De Jonge in het vorig jaar verschenen boekje In het belang van het dier, dat ze samen met collega prof.dr. E. Goewie opstelde. Een kip van twee kilo heeft op zijn minst 1.875 vierkante centimeter nodig om zich te rekken, strekken en met de vleugels te klapperen. Volgens De Jonge moet de veehouderij ingrijpend veranderen. Want zolang die zijn intensieve karakter houdt, blijft welzijn een ondergeschoven kindje. ``Daarom vind ik de huidige drukte over de Europese landbouw geweldig'', zegt De Jonge desgevraagd. De Wageningse pleit voor een landbouw die uitgaat van de behoeften van het dier, en niet van de mens. Daarom toont ze zich bijvoorbeeld zo'n voorstander van de zogeheten Stolba-stal. Daarin leven varkens in kleine, stabiele groepen. De dieren hebben veel ruimte, kunnen volop wroeten en modderbaden nemen. Biggen groeien al spelend op bij de zeug tot ze op het slachtgewicht van ongeveer 110 kilo zijn. Ook dit type stal kreeg van Bracke een cijfer. Het systeem kwam als beste uit de bus, met een ruime negen.

Ook Bracke wil dat er meer aandacht komt voor de wensen van het dier, maar volgens hem kan dat best gepaard gaan met een intensieve vorm van veehouderij. De varkensflats die minister Brinkhorst van Landbouw wil laten bouwen, kunnen volgens hem best diervriendelijk worden ontworpen. Want ook al hebben dieren bijvoorbeeld weinig ruimte, dan nog kan hun welzijn best redelijk zijn. Als ze hun plezier maar ergens kunnen halen. Bijvoorbeeld via wroeten. ``Misschien kun je ze stress laten afreageren in een tredmolen'', aldus Bracke, die zegt geen tegenstander te zijn van technologische oplossingen. ``Wij leven immers ook niet meer in grotten, en jagen niet meer op mammoeten. Toch hebben we het best goed in onze verwarmde huizen met onze tv's, wasmachines en magnetrons.''

En hoewel De Jonge pleit voor de biologische landbouw, is Bracke daar niet blindelings voorstander van. Bracke: ``De dieren hebben nogal eens last van ademhalingsproblemen. De biologische landbouw krijgt van mij nu nog het voordeel van de twijfel, maar ik zou het effect van gezondheid op welzijn wel eens willen onderzoeken.''

    • Marcel aan de Brugh