Investeerders azen op small caps

De kleine lokale beursfondsen zuchten onder hun lage koersen. Ze worden door iedereen genegeerd. Opkopers liggen op de loer. Investeerders hebben de oplossing: ga gewoon van de beurs en wij helpen wel een handje.

Elk nadeel heeft een voordeel, zo weten ook de financiële dealmakers in Nederland. Nu de beurs op zijn gat ligt, de overname- en fusieactiviteiten op een lager pitje zijn gezet, wordt het tijd voor wat anders. Afgelopen week organiseerde NIB Capital alvast een `ronde tafeldiscussie' over de mogelijkheden van het verlaten van de beurs voor small caps, de kleine lokale beursfondsen. Met behulp van participatiemaatschappijen natuurlijk.

Eerst moeten de geesten rijp worden gemaakt. Want in Nederland is het aantal beursfondsen, dat in het verleden gekozen heeft voor een terugkeer naar het grijze anonieme bestaan van een private onderneming, op één hand te tellen. Twijnstra en Gudde keerde in 1998 de beurs de rug toe, terwijl vorig jaar Norit en Van Dorp Despec eenzelfde stap maakten. Een paar maanden terug vroeg ook het management van Sligro zich openlijk af of een beursnotering voor het bedrijf nog wel zin had.

Hoopgevend voor Nederlandse geldschieters als NIB Capital en Gilde van Rabobank is de door hen gesignaleerde trend in de Verenigde Staten en Groot Brittannië. Zo lieten in het Verenigd Koninkrijk in 1999 27 fondsen hun beursbestaan voor wat het was en gingen verder als private bedrijven. De voornaamste reden voor de betrokken bedrijven was hun lage beurskoers. Deze transacties hadden een waarde van ruim 8 miljard gulden. Wat in het buitenland kan, moet in Nederland ook kunnen, zo redeneren investeerders.

Met de komst van de euro zijn grote beleggers steeds internationaler gaan investeren ten koste van lokale bedrijven. Analisten van grote banken richten zich daarbij vooral op indexen en sectoren, waardoor de small caps voortdurend uit de boot vallen. Lage beurskoersen zijn het gevolg. En kapitaal aantrekken wordt er alleen maar duurder op. Ongewild zijn ze prooien geworden voor concurrenten die uit zijn op een koopje. Deze week werd nog bekend dat het laag gewaardeerde GTI in handen komt van het Belgische Fabricom.

Daar spelen investeerders graag op in. De management-buy-out is daarbij de meest favoriete vorm waarin een participatiemaatschappij zijn transactie giet. Je koopt als investeerder samen met management het bedrijf op van de aandeelhouder of aandeelhouders, en binnen vier, vijf jaar verkoop je de zaak met een dikke premie door. Handig is daarbij dat de managers tevens aandeelhouders zijn. Uit onderzoek is gebleken dat zij doorgaans hun belang uitbouwen tot twintig procent. Goed voor de betrokkenheid en de prestaties van het bedrijf, zo constateerde een van de aanwezige financiers bij de ronde tafeldiscussie van NIB Capital deze week.

Een andere, minder populaire transactie die voorkomt, is de zogeheten leveraged-buy-out. Als het schoolvoorbeeld van dit soort buy-outs wordt altijd de RJR Nabisco transactie genoemd. Na een tumultueus verlopen veiling kwam deze Amerikaanse voedingsfabrikant in 1988 in handen van investeerder KKR, die de onderneming kocht voor ruim 25 miljard dollar. Door deze deal is de leveraged-buy-out een beetje besmet geraakt, omdat de kopers hun doelwit opzadelden met een reusachtige schuldenlast. Zij gebruikten een minimum aan aandelenkapitaal en schraapten leningen bij elkaar om de financiering rond te krijgen. Dit wordt ook wel in jargon de hefboom genoemd: een leveraged buy out. Het betalen van de rentes op al deze bankleningen en schuldpapieren kon worden gerealiseerd door middel van saneringen, uitverkoop van onderdelen en besparingen op onderzoek en ontwikkeling. Niet echt goed voor het voortbestaan van bedrijf.

In Nederland valt er theoretisch de komende tijd genoeg uit te kopen voor de participatiemaatschappijen. De nieuwe fusiebeurs Euronext maakt het er voor small caps niet aantrekkelijker op hun aanwezigheid op de beurs te handhaven. Fondsen die niet vaak genoeg van eigenaar wisselen mogen straks niet meer doorlopend verhandeld worden. Zij moeten het doen met een veiling, twee per dag: niet echt bevorderlijk voor een goede koersontwikkeling, zo vinden de meeste ondernemers. Treffend zijn dan ook de woorden van A. Verkuyten, directeur van textielbedrijf Blydestein-Willink deze week: ,,Wij vragen ons af wat het perspectief is van een small cap op de beurs, zeker na invoering van het nieuwe handelssysteem per september.''

    • Philip de Wit