Hoofddoek mag, net als spijkerbroek

Het hoofddoekje is net zo min uit de tijd als het koningshuis. Beide symbolen veranderen mee met de moderniserende samenleving. Progressief Nederland zou zo liberaal moeten zijn om hier oog voor te hebben. En een nieuwe Oranjetraditie met een allochtone koningin Máxima kan bij de inburgering van nieuwe Nederlanders behulpzaam zijn, meent Pim van Harten.

Nog even en we hebben een allochtone koningin. Tot voor kort kenden we slechts een aantrekkelijk geklede en uitdagend dansende Latijnse op videotape. Geroemd wordt nu de aangepaste Máxima, die een metamorfose van zuidelijke en vrouwelijke Máxima tot keurig meisje heeft ondergaan, en nu in een conservatief jurkje de van haar verwachte dingen zei.

In de storm van reacties beweren sommigen dat het koningshuis uit de tijd is wegens de offers die het van de betrokkenen eist. De `gouden kooi' waarin een Oranje leeft zou een onacceptabele onderdrukking van persoonlijke vrijheid vergen, zo redeneren zij. Toch accepteren wij Nederlanders in grote meerderheid de keuze van het jonge stel, net zoals we de keuze respecteren van bijvoorbeeld hij/zij die marinier of monnik wil worden. Cruciaal hierbij is de context waarin de keuze plaatsvindt: deze mensen zijn vrij in hun afwegingen, en, eenmaal gemaakt, dienen deze gerespecteerd te worden.

Het koningshuis heeft een conservatieve symboolfunctie in deze zich immer moderniserende samenleving. Terwijl columnisten en professoren zich dezer dagen buigen over het `nieuwe conservatisme' en wijzen op `het opnieuw uitvinden van traditie', was de kroonprins hen ruimschoots voor. Terecht sprak hij vorig jaar van een zich voortdurend moderniserende monarchie. Zij moet zich, aldus de kroonprins, continu opnieuw bewijzen en vormgeven in zich wijzigende, moderne omstandigheden. En daarbij koos hij – zeer progressief – de hulp van een mediagenieke, eigentijdse allochtone vrouw.

Iets dergelijks is aan de hand met een ander conservatief symbool in onze samenleving, dat nauwelijks onze aandacht krijgt: de islamitische hoofddoek van onze vrouwelijke islamitische medeburgers. De hoofddoek is, net als het koningshuis, geen oerconservatief gegeven, maar een zich telkens opnieuw uitvindend symbool voor een grote, en zeer zichtbare, minderheid der Nederlanders. Maar de ene conservatieve uiting kan niet op evenveel sympathie rekenen als de andere. Wanneer Máxima zich bedekt kleedt in het bijzijn van de stijve koninklijke familie, vinden wij dit vanzelfsprekend. Een zelfde soort bedekking uit respect voor de sociale codes van een andere familie, in de vorm van een islamitische sluier, oogst echter andere reacties.

Groot is het onbegrip voor de hoofddoek, en klein het inzicht in de betekenis(sen) die deze kan hebben. Maar al te makkelijk, en ten onrechte, nemen autochtone Nederlanders het woord `fundamentalisme' en `vrouwenonderdrukking' in de mond, zoals recentelijk Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van het feministische maandblad Opzij. `Fundamentalisme' is een term die ongeveer dezelfde morele lading heeft als dat andere `f-woord': fascisme. Om dit misverstand te verklaren, moeten zowel de islam in Nederland, als de Nederlandse reactie op de islam bekeken worden.

Omdat de gemeenschappen waarin moslims leven, in Nederland en in het land van herkomst, reeds een langdurige periode van permanente crisis en verbrokkeling doormaken, heeft de islam derhalve veel verbrokkelde betekenissen. `Islamitisch fundamentalisme' bestaat, onder meer, uit een poging de betekenis wederom te monopoliseren. `Fundamentalisten' zien zich als de enige echte moslims, dragen het van oorsprong Westerse predikaat `fundamentalist' dan ook met trots uit, en zijn meer gepreoccupeerd met andere moslims dan met buitenstaanders. Zo bestrijdt fundamentalisme de diversiteit van islamitische interpretaties, en bestrijden onder zijn vlag moslims vooral andere moslims.

Dit zelfbeeld van enkelen wordt echter niet ondersteund door de sterk afwijkende meningen van het overgrote deel der moslims, in Nederland én in het Midden-Oosten. Vreemd genoeg worden de fundamentalisten wel geloofd en als woordvoerders van de islam geaccepteerd door Westerse `waarnemers'. Ondertussen vallen islamitische opvattingen, net als de Midden-Oosterse samenlevingen zelf, in werkelijkheid in steeds meer stukjes uiteen. Ironisch genoeg is de verbrokkeling van de betekenissen die verschillende moslims aan islam toekennen zowel de oorzaak van het ontstaan van islamitische fundamentalisme, als de oorzaak van haar falen.

Tussen Europese islam en de islam in het land van herkomst bestaan twee belangrijke verschillen. Ten eerste leidt de confrontatie van de islam met de dynamiek van de Westerse samenleving en haar dominante, veelal seculiere waarden, tot een nog grotere verbrokkeling van islamitische betekenissen hier dan bijvoorbeeld in Marokko zelf, waar de invloed van het Westen soms ver weg is. Het belangrijkste verschil is echter dat moslims in het Westen de mogelijkheid hebben op te gaan in de Westerse samenleving, en zo afstand kunnen nemen van de islam die zij kennen.

Die mogelijkheid, en ook de moderniserende dynamiek van de samenleving, is beperkt in het Midden-Oosten. Fundamentalisme is, in de woorden van een vooraanstaande deskundige, de gefrustreerde reactie van hen ,,die het vliegtuig naar de moderniteit wilden nemen, maar niet mee mochten''. Zo raakte men opgesloten in de stagnerende wereld van het Midden-Oosten en raakte men met elkaar in gevecht om de betekenis van islam.

Dit verklaart waarom het islamitisch fundamentalisme de migrantengemeenschappen van Europa heeft overgeslagen. Ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de liberaal Frits Bolkestein, die zich in zijn Haagse tijd bezorgd over de islam in Nederland boog, stelden vast dat fundamentalistische interpretaties geen wortel schieten in de polder. Moslims konden hier altijd vrij vergelijken, en desgewenst buiten de islam over hun islam nadenken. Vervolgens konden zij hun eigen, nieuwe islam in vrijheid praktiseren. Het is in deze nieuwe islam dat de hoofddoek van de nieuwe vrouwelijke Nederlanders een geheel nieuwe, verschillende en ook emanciperende betekenis draagt.

Door dit cruciale verschil in context – namelijk de vrijheid om zelf te kiezen tot welke `gouden kooi' men toetreedt of welke kledingscode men eerbiedigt – verdienen dergelijke keuzes respect. Máxima, maar ook de gesluierde Fatima kunnen in Nederland zelf bepalen wat hun kleding en conformisme werkelijk betekenen. Voor alle Nederlandse staatsburgers zijn deze grondrechten vastgelegd in de liberale grondwet. Eén daarvan, vrijheid van godsdienst, strekt zich uit tot het in vrijheid en openbaarheid uitoefenen en belijden van elke religie. De hoofddoek is een net zo legitiem kledingstuk als een spijkerbroek.

Ironisch genoeg maakten de vrouwen van de feministische generatie van Dresselhuys de weg vrij voor de vrije keuzes van de vrouwelijke moslims van de tweede generatie. Het is dan ook aan niemand om de hoofddoek te verbieden of naar believen met vrouwenonderdrukking gelijk te stellen. Iets dergelijks, maar dan omgekeerd, gebeurt in de Islamitische Republiek Iran: daar werden vrouwen juist verplicht een sluier te dragen, tegen onderdrukking door Westerse waarden. Dresselhuys bevindt zich dus in fraai gezelschap. Beter is het de dames, hier en in Iran, zelf te vragen.

Maar waarom praten we niet met de nieuwe Nederlanders? Het lijkt alsof er `twee Nederlanden' zijn ontstaan waar het de positie van minderheden betreft. In het `formele Nederland' worden vrijheden geboden, regels nageleefd, en kennen wij een netwerk van sociale instanties. In het `Nederland van de publieke moraal' praten we liever niet over onderwerpen als islam en de multiculturele samenleving, en willen we onze eigen publieke sfeer beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit zonder intolerant te willen zijn, maar zonder daar in de eigen achtertuin een bijdrage aan te willen leveren. Het is de bekende en typisch Hollandse mix van laisser faire, laksheid, sterke burgerzin en leidend tot een samenleving van vele introverte minderheden, bestuurd door een schipperende overheid.

Deze dubbele Nederlandse reactie schept meer dan de Nederlandse islam de huidige problemen en misverstanden. Een `goede' moslim, zo lijkt het, is er een die zijn of haar islam onzichtbaar maakt in het straatbeeld, om de Nederlandse samenleving vooral niet uitgesproken en met manifestatie van de eigen identiteit tegemoet te treden. Juist de tweede generatie Nederlandse allochtonen poogt echter momenteel een volwaardige en eigen positie te veroveren, maar zij reproduceert niet die oude, vertrouwde samenleving van bekende Hollandse recepten. Het `multiculturele drama' van Paul Scheffer en de uitspraken van Dresselhuys vormen slechts de voorbode van een oplopend ongemak met het nieuwe Nederland.

Een nieuwe emancipatie is aan de gang, maar Nederland is er niet met zijn hoofd bij. Een dergelijke opstelling accepteert en bevordert een stille segregatie: tussen grondrechten en moraliteit enerzijds, en tussen oude en nieuwe Nederlanders anderzijds. Om tot een waardevol breed publiek debat te komen, moeten alle Nederlanders uit de bekende besloten kringetjes komen en hun liberale grondwettelijke afspraken praktiseren. Het lijkt hier meer op de verbrokkelde, tribale Arabische wereld dan gezond is.

Zo kan de discussie over `de nieuwe conservatieven' een grotere maatschappelijke relevantie krijgen dan bedoeld. Wordt het een zoektocht naar nationale identiteit, zoals ook bij Engelsen en Duitsers? Betreft het een cultureel exclusief of inclusief conservatisme? En: hoe liberaal is progressief Nederland eigenlijk? In het ongemak over globalisering en individualisering worden de grenzen tussen de begrippen conservatief en progressief opnieuw getrokken. De nieuwe Nederlanders kunnen wel een opleving van het vaderlandse liberalisme gebruiken. Met een nieuw uitgevonden Oranjetraditie: Máxima als koningin der nieuwe Nederlanders.

Pim van Harten is politicoloog en deed het afgelopen jaar onderzoek in Beiroet en Teheran.

    • Pim van Harten