EEN STENT OF EEN BYPASS: HET MAAKT WEINIG VERSCHIL

Voor patiënten met meer dan één vernauwde kransslagader maakt het weinig uit of ze een dotterbehandeling ondergaan waarbij een stent (een buisje) in het bloedvat wordt geplaatst of een bypassoperatie. De kans dat ze één jaar na de behandeling nog leven en relatief gezond zijn is na beide behandelingen even groot. Dat blijkt uit een groot, internationaal onderzoek, gecoördineerd door een stuurgroep onder leiding van de Rotterdamse cardioloog prof.dr. Patrick Serruys (New England Journal of Medicine, 12 april).

Patiënten bij wie twee of drie kransslagaders vernauwd zijn komen in aanmerking voor een bypassoperatie òf een dotterbehandeling. Bij de operatie worden aders of slagaders uit het lichaam omgeleid en naar en achter de vernauwing op de kransslagader aangesloten. Bij een dotterbehandeling wordt via een katheter met een ballonnetje het vernauwde bloedvat opgerekt. Om het vat open te houden, plaatst men vaak een stent.

Om te bepalen welke behandeling de voorkeur verdient zijn in 19 landen 1205 patiënten geselecteerd van wie zowel de cardioloog als de hartchirurg meende dat ze voor beide ingrepen in aanmerking zouden kunnen komen. Het toeval bepaalde of ze werden geopereerd of gedotterd.

Het aantal patiënten dat binnen een jaar overleed of een hart- of herseninfarct kreeg, was in beide groepen nagenoeg gelijk. Het belangrijkste verschil tussen de groepen was dat bijna 17 procent van de `gestente' patiënten in de loop van het jaar opnieuw behandeld moest worden, tegen slechts 3,5 procent van de geopereerde patiënten. Maar zelfs als de vervolgbehandelingen worden meegerekend is een stentbehandeling bijna 3.000 dollar goedkoper.