De staat van paniek

Kroonprins Willem-Alexander gaat trouwen en pater familias Claus twijfelt aan zijn functie. Intussen staan de treinen stil, vechten boeren hun veeziekte met de politie uit en blijven de wachtlijsten in de zorg lang. Draagt de overheid het zwaard dan toch tevergeefs? Een opstel over de panische Staat der Nederlanden.

Soms is het zaak risico's te nemen. Wie de Staat der Nederlanden wil leren kennen, die neme een vreemdeling in huis. Wie een vreemdeling over de vloer heeft, burgert pas echt in. Die verliest zijn naïeve illusies over de overheid, ontdekt dat de aandeelhoudersdemocratie in het Koninkrijk der Nederlanden geen naamloze maar een besloten vennootschap is, begrijpt waarom boeren wel slaags raken met de mobiele eenheid maar burgers en buitenlui niet gaan matten met de bonden van het spoor. Kortom, die wordt volwassen.

Zeven jaar woont K. nu bij mij in huis. Hij is achter het IJzeren Gordijn geboren. Vorige week heeft hij voor het eerst een oproepkaart ontvangen voor verkiezingen: het referendum over de deelraad binnenstad in Amsterdam. Net als Máxima mag ook hij ,,vrijheid en democratie omarmen''. Een paspoort, symbool van die waarden en normen, heeft hij vooralsnog niet. Hij moet dus jaarlijks zijn verblijfsvergunning verlengen. Zo hoort het ook.

Twee jaar geleden heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hem een kunstje geflikt. De IND is een agentschap dat op afstand door Justitie wordt gestuurd en veel vrijheid geniet. De IND kan die positie niet aan. Op de klachtenparade van de Nationale Ombudsman bezet de dienst een onbetwiste eerste plaats. Als de Tweede Kamer in 1998 een wet aanneemt om de regels voor verblijfsvergunningen dicht te timmeren, gaat de IND desondanks voortvarend aan de slag. Voordien had de legale vreemdeling na het verstrijken van zijn vergunning een half jaar respijt. Nadien wordt iedereen die één dag te laat is op slag illegaal en teruggestuurd naar zijn vaderland om de molen weer van voren af aan te laten draaien. Staatssecretaris Schmitz van Justitie uit het eerste kabinet-Kok heeft dat weliswaar ontkend, maar aan haar heeft de dienst geen boodschap. Wie de wet ook interpreteert, niet die bewindsvrouwe.

De pater familias ten huize van K. is een halve gare. Door schade en schande wijs geworden, heeft hij geleerd dat je nooit zonder bezwaarschrift en jas de deur uit moet gaan. Dat werkt. Even. Met terugwerkende kracht blijkt K. hier geen seconde illegaal te zijn geweest. Staatssecretaris Cohen uit Kok-II kan niet anders. Hij heeft de IND-exegese naar de prullenbak verwezen, nadat een speciale adviescommissie er ook al gehakt van had gemaakt.

Eind goed, al goed. Ware het niet, dat de halve gare tien jaar geleden door een hoger geplaatste collega is onderhouden over aard en wezen van onze moderne maatschappij. Nederland is een besloten vennootschap. Zelfs Hare Majesteit is niet meer dan secretaresse van deze BV. Dat moet hij goed begrijpen. Hij heeft het begrepen, en dient een rekening in: een vliegticket, de legeskosten en een paar maanden inkomensderving, omdat een legale vreemdeling tenslotte ook mag werken. Als Nederland inderdaad een BV is en de burger geen onderdaan meer, dan mogen de klanten afrekenen met een falende directie. Conform de theorie van de socioloog De Swaan over onze onderhandelingshuishouding, zal de zaak-K. wel uitdraaien op loven en bieden.

Een misverstand. Vijf dagen ná het verstrijken van de wettelijke termijn – als het om termijnen gaat, is niet iedereen voor de wet gelijk – reageert de IND met een heuse beschikking. De boodschap aan de klant is helder: vergeet het maar. Bij teruglezen van de stukken wordt duidelijk waarom. In de beslissing van Cohen gaat het niet om het hermetisch gesloten dictum maar om de tochtende alinea's daarvoor waarin het eigen gelijk bijna stiekem wordt gepostuleerd. Ook de overheid correspondeert via de kleine lettertjes. Goddank komen de burgers daar vaak pas achter als ze bij de bestuursrechter staan.

Wat te doen? Gaat de burger nu `juridiseren', als vorm van individuele genoegdoening? Of blijven we trouw aan de gemeenschapszin in het besef dat we dief zijn van onze eigen belastingcenten als we onze eigen overheid op kosten jagen?

Talloze representanten van het publieke domein in Nederland gaan ervan uit dat de burger de eerste variant kiest. Minister Peper van Binnenlandse Zaken heeft twee jaar geleden zelfs de alarmbel geluid. Hij was niet de eerste. We leven in een ,,hybride systeem'', aldus Peper in zijn essayistische oprisping Op zoek naar samenhang en richting. ,,Juridisering is, in extremo, een uitdrukking van het primaat van het eigenbelang.'' Als sociaal-democraat én regent baart hem dat zorgen. De sociaal-democraat in hem verzet zich omdat dit ,,niet goed past in de culturele traditie van ons land, waarin eigenbelang altijd – zij het niet altijd zonder slag of stoot – op de grenzen liep die door gemeenschappelijke, solidaire oriëntaties werden gesteld.'' De bestuurder in hem krijgt hoofdpijn van de onzekerheid die de `juridisering' met zich meebrengt. Als de burger eenmaal aan zijn guerrilla (`hit-and-run') tegen de staat begint, raakt de bureaucratie verlamd door een ongeneeslijke ziekte: de precedentenfobie, een angstsyndroom dat ertoe leidt dat ambtenaren geen problemen meer oplossen maar ze verplaatsen. ,,Wij dienen de oprukkende `claimcultuur' op gepaste afstand te houden'', schrijft Peper. ,,Overheid en politiek zijn urgent aan zet als het erom gaat die normatieve oriëntaties in politiek, recht en bestuur tot gelding te brengen.'' Met andere woorden: de overheid moet het goede voorbeeld geven.

Kan dat nog? Die vraag dringt zich op na lezing van het laatste jaarverslag van de Raad van State dat is opgesteld door `onderkoning' Tjeenk Willink. Zijn analyse heeft, ondanks de afgeknepen toon die bij functie én persoon past, alarmerende trekjes. Al in 1989 heeft Tjeenk Willink, als regeringscommissaris voor de Rijksdienst, in zijn studie De kwaliteit van de overheid gewaarschuwd. De staat is de weg kwijt. De overheid moet als een bedrijf werken, dat wil zeggen risico's nemen, maar tegelijkertijd óók garant staan voor haar burgers. Deze spagaat is al veel gevraagd. Maar daarbij blijft het niet. Omdat burgers als klanten worden beschouwd, gaan die zich volgens dit nieuwe rolmodel ook ,,calculerend'' gedragen, waarna de overheid begint te klagen over het gedrag dat ze juist bevordert. De staat heeft zich daarom aangepast en een netwerk gebouwd van dochtermaatschappijtjes die met alles en iedereen – dus ook met elkaar – onderhandelen. In dit onderhandelingscircuit zijn er, zoals de euforische consultants met hun win-win-these zeggen, nooit verliezers.

Een vicieuze cirkel. In zijn jaarverslag over 2000 heeft Tjeenk Willink, als vice-voorzitter van het hoogste adviesorgaan der staat, zijn diagnose in een hogere versnelling gezet. Waar zijn we het afgelopen decennium mee bezig geweest? Met decentraliseren, verzelfstandigen en ontschotten, in de hoop dat de bureaucratie aldus zou leren wat het is om dienstbaar te zijn. Welnu. Veel problemen zijn de afgelopen twintig jaar niet opgelost maar ,,uitgeplaatst''. De ontkokering van de bureaucratie heeft de bureaucratie juist versterkt. ,,De tijd die politici krijgen toegemeten, stemt niet overeen met de tijd waarin de ambtelijke organisatie zich beweegt, en ook niet de tijd waarin maatschappelijke processen zich voltrekken.'' In het donkere bos wordt om de haverklap geroepen om ,,kwaliteit, coördinatie en controle''. Maar dat zijn volgens Tjeenk Willink ,,lege'' begrippen. Welke kwaliteit wordt er gecoördineerd? En wie controleert de controle? Niemand. Behalve als het fout gaat. Dan rukken de controleurs uit. Hooguit zoemt nog het woord `ministeriële verantwoordelijkheid' rond. Maar deze door de anti-revolutionair Donner gemunte `zweepslag' voor de ambtelijke dienst is niet meer dan een zoen van de juffrouw. De bureaucratie is de logische winnaar.

In de nacht van vrijdag op zaterdag 31 maart overlijdt Rob Stolk. Bijna veertig jaar geleden was hij het aardige gezicht van Provo, een clubje los zand dat indertijd binnen een jaar de machinerie van de autoritaire staat wist te ontregelen. Ik ben te jong om Stolk in die hoogtijdagen gekend te hebben. Ik ken hem via de verhalen van mijn vader, die medio jaren zestig als advocaat talloze provo's voor de rechter heeft verdedigd. Toen Stolk dwingend aanwezig was in Nederland, begon ik aan mijn eerste wereldkampioenschap voetbal: het WK van 1966 in Engeland. Toen Stolk een drukkerij draaiend hield en belasting betaalde, keek ik naar de WK-finale van 1978 in Buenos Aires, halfhartig biddend dat Ruud Krol na afloop niet de ereloge zou opgaan. Dat KNVB-bestuurder Jan Huybrechts daar op drie armlengtes van de presidenten van Argentinië en de wereldvoetbond FIFA zat, ontging me.

Stolk, ooit kenner van de rookbom, sterft op de avond dat de eerste erfgenaam van koningin Beatrix en twijfelend pater familias prins Claus zijn huwelijk aankondigt. Toeval. Alleen wie in Nostradamus gelooft of in het noodlot, weet beter. Hoe dan ook. Bijna 35 jaar na dat andere huwelijk in Amsterdam en 23 jaar na de finale in Argentinië winnen de Nederlandse waarden en normen onverhoeds alsnog. Vader blijft binnen. Onze rechtsorde én onze handelskunst blijken ineens geen flauwekul. Als het een cup was geweest en Kok niet Kok, zou de premier hem juichend omhoog hebben gehouden. Hoe anderen met hun `goed en fout' omgaan, moeten zij weten. Wij doen het op onze manier, wordt die vrijdag duidelijk.

Uitgaande van de grondwettelijke richtlijnen, aangevuld met wat realistisch democratische achterdocht, is de conclusie: premier Kok heeft als hoeder van de constitutionele monarchie bijna moederziel alleen een glansrijke zege geboekt op allerhande cultuurrelativisten in binnen- én buitenland. Behalve zijn allernaasten heeft niemand geweten van de dienstreizen van Van der Stoel, zoals kroonprins Willem-Alexander (33) de hoekige Minister van Staat (76) eenvoudig modern noemt.

Uit het optreden van premier Kok spreekt Bijbelse soevereiniteit. Ministeriële verantwoordelijkheid is namelijk niet leuk maar belangrijk. De premier is een van de weinigen die de Schrift nog wereldlijk toepassen. Van het geloof dat alle staatsmacht, goed of fout, van God komt, is menigeen zestig jaar al gevallen. We hebben daaraan onder meer Vrij Nederland en Trouw te danken. Maar de volgende passage uit Romeinen 13 heeft langer stand gehouden: `Indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs (...) niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.'

De seculiere interpretatie hiervan heeft nu haar langste tijd gehad en plaats gemaakt voor stiekeme vrees. Ons geweten was door Kok amper gekalmeerd, of we begonnen weer aan onszelf te twijfelen. Zijn onze waarden en normen eigenlijk wel leuk? Is Hema-worst wel lekker? Kortom, zijn hoge hakken, korte rokken en uitgesneden decolletés niet veel spannender? Dit verzin ik niet, dit zijn kwesties die de afgelopen weken in de media daadwerkelijk zijn opgerakeld. ,,We zijn een klein volk dat dicht op elkaar zit. De gordijnen wijd open, opdat we bij elkaar naar binnen kunnen kijken. Om te laten zien hoe goed ons huis op orde is, niet om mensen uit te nodigen'', aldus televisievader Koos Postema bijvoorbeeld in Het Parool.

Of wat te denken van cultureel antropoloog Thoden van Velzen, ooit rector van de Amsterdamse universiteit in dezelfde krant: ,,Ik vraag me af hoe de mindere aspecten van Nederland haar duidelijk worden gemaakt.'' Alleen Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies in Rotterdam, heeft een serieus advies. ,,De barrière van Hollanders om hun hart te openen is groot. We zijn zo extreem onafhankelijk dat we geen beroep op anderen doen. Dat is de oorsprong van de verzorgingsstaat: een neutrale instantie die we om hulp kunnen vragen. Máxima moet de verzorgingsstaat bestuderen om de mentaliteit te begrijpen.''

De onzekerheid over ons zelfbeeld heeft met Máxima Zorreguieta te maken. Zij is een van de winnaars in de overrompelende bliksemoorlog van de afgelopen weken. Alleen een hart van steen smelt niet bij haar onverholen publieke liefde. Maar er is meer. Dat wij haar byzantijns omarmen omdat zij ons democratisch omarmt, wijst niet alleen op een behoefte aan ethische en esthetische rituelen maar ook op een problematische onzekerheid die alleen nog met `leuk nieuws' kan worden verzacht.

Daarvoor is reden. Nederland is nu al een jaar ontredderd. Nee, niet door de herinnering aan de strafschoppen tegen Italië op het EK-voetbal. Die schuldvraag is eenvoudig te beantwoorden. De paniek is niet eens heimelijk meer, maar uit zich steeds openlijker. Een opeenstapeling van ogenschijnlijk losse gebeurtenissen die allemaal met elkaar te maken hebben maar niet meer met schuld en boete het hoofd kunnen worden geboden, ligt aan de basis daarvan. De vuurwerkexplosie in Enschede heeft aan het licht gebracht dat de staat in de touwen hangt. De cafébrand in Volendam heeft deze diagnose nader toegespitst. In de woorden van Tjeenk Willink: ,,Als ieder vertrouwt dat de ander zal controleren, wordt er niet gecontroleerd.'' De reacties op deze rampen geeft hem dubbel gelijk. Het tekort aan politieke controle wordt gecompenseerd door ambtelijke controle. ,,Meer van hetzelfde'', aldus de vice-voorzitter, ,,het werkt niet.''

De puinhoop bij Nederlandse Spoorwegen is een uiting van dezelfde knock-out. De vakbondsleiders, die elke dag om een andere reden een rondje staken, zouden hilarische striphelden zijn als hun handelen niet zulke kwaaie gevolgen had. De NS-directie op haar beurt wekt de indruk haar bedrijf te hebben opgegeven. En minister Netelenbos kijkt alleen nog als een konijn in de koplampen. De chaos met de wachtlijsten in de gezondheidszorg illustreert dat het einde niet in zicht is. Als minister Borst krijgshaftig roept dat ze het geld haalt waar het ligt – in de brandkast van de fiscus – stelt het Platform Aanpak Wachttijden droogjes vast dat het probleem niet met klinkende munt is op te lossen. Het heeft met de organisatie te maken, kortom, met de ,,regels en mentaliteit'' van het bureaucratisch apparaat binnen én buiten het departement dat de minister zeven jaar lang als een regisseur temidden van heel veel regisseurs op zijn beloop heeft gelaten.

En als klap op de vuurpijl wordt Nederland ook nog overdonderd door mond- en klauwzeer alsmede dalende winstverwachtingen en vrijelijk speculerende bedrijfsleiders. De slechtere economische weersvoorspellingen zijn vooral een budgettair probleem met politieke gevolgen. Net nu de burgers de polder hebben verlaten en hun deel opeisen, kalft de groei af. Dat is makkelijker uit te leggen dan de spoorwegstakingen. Eenderde van de bevolking gaat er volgens het CBS al van uit dat het slechter wordt. De MKZ-epidemie daarentegen drukt ons met de neus op een moeilijker feit: de verdonkermaande paradox dat een liberaliserende maatschappij niet minder maar juist meer regels nodig heeft. De vrijheid van de mens houdt immers op daar waar die van de buurman begint. Hoe losser het leven wordt, des te steviger de staat moet durven zijn. En dat laatste is niet het geval. Justitie heeft dat afgelopen woensdag weer eens ervaren met de vrijspraken in de Clickfonds-zaak. Dat kan gebeuren. Bewijsvoering in het recht is geen sinecure. Ook mensen zonder toga en bef delven echter het onderspit. Anders dan partijgenoot Borst, balt minister Brinkhorst weliswaar zijn vuist, ook hij is niettemin gedwongen in elke alinea het woord ,,overleg'' te laten klinken. Overleg met wie? Met de landbouw- en tuindersbond LTO die zich inmiddels ook geblokkeerd weet door boze boeren met tractoren en de jongens in Kootwijkerbroek er niet van kan weerhouden slaags te raken met de politie?

De meeste burgers en buitenlui aanvaarden het gelaten. De staat daarentegen oogt wanhopig nu zijn geschiedenis zich wreekt.

Het is niet opzienbarend. De Amerikaanse historicus James Kennedy heeft het zes jaar geleden voorspeld in Nieuw Babylon in aanbouw. Aan het slot van zijn studie over het aanpassingsvermogen van het schikkende en plooiende Nederland sinds de jaren zestig, fileert hij onze staat. Onze blinde vlek is dat we denken dat we een verleden hebben. Ten onrechte. We zijn dit verleden in onze jacht op moderniteit juist gaan ontkennen. Omdat wij `vernieuwing' als hét wondermiddel tegen achterlijkheid hebben omarmd, is de modernisering op zich verbluffend goed geslaagd. Maar de keerzijde is dat álle hoofdstromen vooruit zijn blijven hollen. Voor Amerikanen is de erfenis van het verleden omkeerbaar, voor de meeste Nederlanders niet. De liberaal Wiegel (als voorzitter van het Contactorgaan der ziektekostenverzekeraars de machtigste semi-publieke man in de gezondheidszorg) deed alsof hij tegenover de socialist Den Uyl stond. Terwille van de retoriek. Om over de christendemocraten maar te zwijgen. Zij moderniseren dat het een lieve lust is. Sindsdien leven wij met ,,de illusie van verandering'', aldus Kennedy. Aanpassing is hét parool, ad hoc een deugd en leuk de norm. Alleen een balkonscène met die Argentijnse pater familias bij dat huwelijk zou niet `leuk' meer zijn.

De conclusie van Kennedy is nu pijnlijk herkenbaar. Met een beetje bijsturen laat de maatschappij zich niet meer in de luren leggen. Financiële zorgen om de verzorgingsstaat, immigratie en sociale verhitting eisen juist ,,creatief en vooruitziend beleid''. De tijd dat Nederland zich kon warmen aan zijn welvaart, hoop en verdraagzaamheid is voorbij. ,,Er zijn geen garanties dat `bij-de-tijd-blijven' dezelfde aangename resultaten zal brengen in minder vriendelijke tijden'', aldus Kennedy.

Anders gezegd: omdat de overheid wijkt, is haar apparaat een probleem geworden. Tegenwoordig denkt ook de kroonprins van de PvdA over de noodzaak de staat zelf onder handen te nemen. Zij het alleen sub rosa. In het openbaar praat Melkert er niet over. Het levert geen applaus op. Nu voor de BV Nederland surseance van betaling dreigt, is het zaak vooral géén risico's te nemen.

    • Hubert Smeets