BOOTHUIZEN BODEN MENSEN HERCULANEUM GEEN VEILIGE PLEK

Inwoners van het plaatsje Herculaneum die na de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus hun toevlucht zochten in boothuizen aan het strand van de Golf van Napels, waren daar allerminst veilig. Opgravingen van een team Italiaanse archeologen laten zien dat ze direct bij de eerste golf gloeiend hete vulkaangassen en as die langs de hellingen omlaag denderde instantaan de dood vonden (Nature, 12 april).

De beroemdste vulkaanuitbarsting uit de geschiedenis bedolf de plaatsen Pompeï en Herculaneum onder as of lava en eiste duizenden slachtoffers. Tot nu toe werd gedacht dat verstikking de doodsoorzaak was, maar onderzoek naar de skeletten van ongelukkigen uit Herculaneum die in nissen in de rotswand langs de kust voor het natuurgeweld dachten te schuilen weerspreken deze lezing. Het was de hitte die hen fataal werd.

De eerste golf vulkaangassen en as, opgewekt door een instortende vulkaanmond, stroomde 12 uur na het begin van de uitbarsting omlaag. In tegenstelling tot de volgende stromen richtte hij in Herculaneum, waaruit iedereen intussen was weggevlucht, geen verwoestingen aan. Aan de kust viel de stroom vervolgens van de 20 meter hoge rotswand omlaag op het strand. In die rotswand bevonden zich twaalf nissen die dienst deden als boothuizen en waarin driehonderd mensen hun toevlucht hadden gezocht. Voor ze het goed en wel beseften had de aswolk van 500 graden Celsius hen verzwolgen en gedood. Enkele seconden later was de aswolk zover afgekoeld dat hij min of meer implodeerde en de lichamen bedolf, zodat hun houding werd geconserveerd. Intussen was het meeste van de weke delen (spieren en organen) verdampt.

In totaal 80 intacte skeletten zijn door de Italiaanse onderzoekers uit de boothuizen opgegraven. Uit niets blijkt dat ze door het natuurgeweld opzij zijn gesmeten, zelfs maakten de slachtoffers geen afwerend gebaar tegen het naderende onheil. De temperatuur van de aswolk is afgeleid uit de zwarting van botstructuren en uit barsten in het glazuur van tanden. (Dirk van Delft)